CEFR Level
B1
Dutch — Intermediate Vocabulary
1,750 words
Can understand the main points of clear standard input on familiar matters.
| # | Word | Type | IPA | Definition |
|---|---|---|---|---|
| 1 | gemeen | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ɣəˈmeːn/ | beneden de gordel, buiten alle regels. |
| 2 | fles | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /flɛs/ | een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten… |
| 3 | dol | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /dɔl/ | een metalen pin waarop een roeispaan kan draaien. |
| 4 | draag | Werkwoord | /draːx/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dragen. |
| 5 | vis | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vɪs/ | iemand met het sterrenbeeld Vissen, dus traditioneel met een geboortedatum van ongeveer 19 februari tot 21 maart. |
| 6 | waarover | Bijwoord | betrekkelijk over wat, over hetwelk, dewelke. | |
| 7 | rood | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /roːt/ | primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm. |
| 8 | hersenen | Zelfstandig naamwoord | /ˈɦɛr.sə.nə(n)/ | waarnemend, aansturend, controlerend en informatieverwerkend orgaan in dieren. |
| 9 | der | Bijwoord, Lidwoord | /dɛr/ | genitief en datief vrouwelijk enkelvoud van het bepaalde lidwoord de; in modern Nederlands meestal vervangen door van pl… |
| 10 | verloor | Werkwoord | /vərˈloːr/ | enkelvoud verleden tijd van verliezen. |
| 11 | taxi | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtɑk.si/ | een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen. |
| 12 | voorkomen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈvoːrˌkoːmə(n)/ | voorkomen, hoe men eruitziet. |
| 13 | medicijnen | Zelfstandig naamwoord | /mediˈsɛinə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord medicijn. |
| 14 | okay | Tussenwerpsel | /oˈke/ | verouderde spelling of vorm van oké tot 1996. |
| 15 | binnenkort | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˌbɪ.nə(n)ˈkɔrt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 16 | doos | Zelfstandig naamwoord | /doːs/ | kunststof bakje waarin de verbindingen in een elektrische installatie tot stand worden gebracht. |
| 17 | terecht | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /təˈrɛxt/ | gegrond op een juist oordeel, dat wat het goede is. |
| 18 | mening | Zelfstandig naamwoord | /ˈmeː.nɪŋ/ | oordeel, opinie. |
| 19 | geweer | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈʋeːr/ | een draagbaar vuurwapen dat met twee handen moet worden bediend. |
| 20 | bezit | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈzɪt/ | het houden of genieten van een goed, dat iemand in persoon, of door een ander in zijn feitelijke macht heeft, alsof het… |
| 21 | top | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Tussenwerpsel | /tɔp/ | naam van een van de zes quarks waaruit protonen en neutronen zijn opgebouwd. |
| 22 | wonder | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈʋɔn.dər/ | een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt en die men niet anderszins logisch kan verkla… |
| 23 | vergeven | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈɣeː.və(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 24 | stopt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoppen. | |
| 25 | hopen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɦoː.pə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord hoop. |
| 26 | ophalen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɔpˌɦaː.lə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 27 | wind | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ʋɪnt/ | de stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen. |
| 28 | oplossen | Werkwoord | /ˈɔpˌlɔ.sə(n)/ | een homogeen mengsel gaan vormen met een vloeistof, in een vloeistof verdwijnen. |
| 29 | jaloers | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /jaːˈlurs/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 30 | onmiddellijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ɔ(n)ˈmɪdələk/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 31 | gedrag | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈdrɑx/ | hoe je je gedraagt comportement mannelijk conduite vrouwelijk onfatsoenlijk gedrag un comportement inconvenant zich gedr… |
| 32 | stemmen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈstɛmə(n)/ | een instrument op de juiste toonhoogte brengen, gelijkstemmen. |
| 33 | ontbijt | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɔntˈbɛi̯t/ | eerste maaltijd van de dag. |
| 34 | lol | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel | /lɔl/ | spottende aanduiding voor een persoon. |
| 35 | honden | Zelfstandig naamwoord | /ˈɦɔn.də(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord hond. |
| 36 | ontvangen | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɔntˈfɑŋə(n)/ | het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten. |
| 37 | verhalen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈhalə(n)/ | iets ~ op: schadevergoeding eisen, kosten laten betalen. |
| 38 | rivier | Zelfstandig naamwoord | /riˈviːr/ | een natuurlijke waterstroom. |
| 39 | twaalf | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /tʋaːl(ə)f/ | dat wat in een (rang)ordening met 12 is aangeduid. |
| 40 | voedsel | Zelfstandig naamwoord | /ˈvut.səl/ | alles wat een levend wezen tot zich neemt om aan bouwstof en energie te komen. Dit kan zowel een vaste of vloeibare subs… |
| 41 | gauw | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ɣɑu̯/ | Village des Pays-Bas situé dans la commune de Súdwest-Fryslân. |
| 42 | volgt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van volgen. | |
| 43 | vaker | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈva.kər/ | vergrotende trap van vaak. |
| 44 | keren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈkeːrə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord keer. |
| 45 | klanten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord klant. | |
| 46 | chef | Zelfstandig naamwoord | /ʃɛf/ | de baas, iemand die de leiding heeft. |
| 47 | wint | Werkwoord | /ʋɪnt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winnen. |
| 48 | minuut | Zelfstandig naamwoord | /miˈnyt/ | een oorspronkelijk document. |
| 49 | detective | Zelfstandig naamwoord | /deː.tɛkˈti.və/ | speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen. |
| 50 | verraden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vəˈradə(n)/ | ontrouw worden aan wat men heeft voorgedaan te zullen steunen. |
| 51 | geweld | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣəˈʋɛlt/ | elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken. |
| 52 | akkoord | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ɑˈkoːrt/ | samenklank van minimaal 3 verschillende tonen. |
| 53 | tonen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtoːnə(n)/ | laten zien montrer (mɔtʀe) bij de douane je paspoort tonen présenter son passeport à la douane. |
| 54 | genoemd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈnumt/ | vermelde, aangeduide. |
| 55 | gewone | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van gewoon. | |
| 56 | papieren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /paˈpirə(n)/ | van papier vervaardigd. |
| 57 | verband | Zelfstandig naamwoord | /vərˈbɑnt/ | het ten opzichte van elkaar laten verspringen van verbindingsnaden. |
| 58 | hoopte | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van hopen. | |
| 59 | rare | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈraː.rə/ | licht gebakken, zodat het van binnen nog bloedrood is. |
| 60 | brug | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /brʏx/ | (Bijvoeglijk naamwoord). |
| 61 | jas | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /jɑs/ | kledingstuk voor in de buitenlucht, dat over andere kledingstukken heen gedragen wordt en dat zowel de romp als de armen… |
| 62 | bloemen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈblu.mə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord bloem. |
| 63 | trap | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /trɑp/ | verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen, bestaande uit een reeks treden die zich (s… |
| 64 | mijnheer | Zelfstandig naamwoord | /mɛi̯ˈneːr/ | een aanspreektitel voor een man. |
| 65 | aanvallen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈaːnvɑlə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord aanval. |
| 66 | leer | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /leːr/ | stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid. |
| 67 | opnemen | Werkwoord | /ˈɔpˌneː.mə(n)/ | opgespaarde vrije dagen gebruiken voor het vieren van een vakantie. |
| 68 | schade | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsxaː.də/ | geheel van beschadigingen. |
| 69 | blijkt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blijken. | |
| 70 | bijzonder | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /biˈzɔn.dər/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 71 | huid | Zelfstandig naamwoord | /ɦœy̯t/ | vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt. |
| 72 | krachten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord kracht. | |
| 73 | zakken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈzɑkə(n)/ | in elkaar zakken: dood, zwaargewond of door een flauwte op de grond vallen. |
| 74 | openen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈoːpənə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 75 | arts | Zelfstandig naamwoord | /ɑrts/ | een geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen. |
| 76 | hoer | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɦur/ | nare vrouw; vooral gebruikt met de bijgedachte dat ze relaties onderhoudt met een of meer mannen waarmee ze niet getrouw… |
| 77 | gestoord | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈstoːrt/ | geestelijk niet in orde atteint/-einte Hij is geestelijk gestoord en moet worden opgenomen in een psychiatrische inricht… |
| 78 | gegeten | Werkwoord | /xə.ˈxeː.tə(n)/ | voltooid deelwoord van eten. |
| 79 | echtgenoot | Zelfstandig naamwoord | /ˈɛ(xt)xəˌnoːt/ | een mannelijke huwelijkspartner. |
| 80 | bedoeling | Zelfstandig naamwoord | /bəˈdulɪŋ/ | het doel van een actie, dat wat men wil gaan doen of wil bereiken. |
| 81 | durf | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /dʏrf/ | iets kunnen doen wat nuttig is maar ook gevaarlijk. |
| 82 | trouw | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /trɑu̯/ | huwelijk en de uitsluitende gerichtheid op de partner in een huwelijk of vaste relatie. |
| 83 | bedenken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈdɛŋkə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 84 | ergste | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɛrᵊxstə/ | verbogen vorm van de overtreffende trap van erg. |
| 85 | bedacht | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /bəˈdɑxt/ | enkelvoud verleden tijd van bedenken. |
| 86 | tegenhouden | Werkwoord | iets of iemand stoppen. | |
| 87 | vermoordde | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van vermoorden. | |
| 88 | nachts | Zelfstandig naamwoord | /nɑxts/ | genitief van nacht. |
| 89 | vertrokken | Werkwoord | meervoud verleden tijd van vertrekken. | |
| 90 | knul | Zelfstandig naamwoord | /knʏl/ | iemand die sullig en onhandig is. |
| 91 | start | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /stɑrt/ | aanvang, begin, eerste fase van iets in het algemeen. |
| 92 | favoriete | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van favoriet. | |
| 93 | persoonlijke | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van persoonlijk. | |
| 94 | bepaalde | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van bepaald. | |
| 95 | sommigen | Voornaamwoord | /ˈsɔ.mə.ɣə(n)/ | bepaalde personen, gewoonlijk een kleine minderheid. |
| 96 | momentje | Zelfstandig naamwoord | verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord moment. | |
| 97 | medische | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van medisch. | |
| 98 | sexy | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈsɛk.si/ | seksueel aantrekkelijk. |
| 99 | burgemeester | Zelfstandig naamwoord | /ˌbʏr.ɣəˈmeːs.tər/ | de naam van een tweetal meeuwensoorten:. |
| 100 | lee | Zelfstandig naamwoord | jongensnaam. | |
| 101 | officier | Zelfstandig naamwoord | /ɔ.fiˈsir/ | iemand die een rang (in het leger) bekleedt die hem of haar het bevel over een zeker aantal ondergeschikten geeft. |
| 102 | kussen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈkʏsə(n)/ | een kus of zoen geven. |
| 103 | date | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /deːt/ | degene met wie men een afspraak heeft. |
| 104 | ster | Zelfstandig naamwoord | /stɛr/ | een van de lichtpunten aan de nachtelijke hemel die maar heel traag van plaats lijken te veranderen, feitelijk een enorm… |
| 105 | gezocht | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈzɔxt/ | niet natuurlijk, gekunsteld. |
| 106 | captain | Zelfstandig naamwoord | /'kɛptən/ | een aanvoerder van een sportploeg. |
| 107 | wezen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈʋeː.zə(n)/ | alternatieve onbepaalde wijs vanzijn. |
| 108 | roep | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /rup/ | een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid. |
| 109 | details | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord detail. | |
| 110 | zomer | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈzoːmər/ | jaargetijde tussen lente en herfst. |
| 111 | dikke | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈdɪkə/ | verbogen vorm van de stellende trap van dik. |
| 112 | ruikt | Werkwoord | /rœy̯kt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruiken. |
| 113 | eigenaar | Zelfstandig naamwoord | /ˈɛi̯.ɣəˌnaːr/ | iemand die iets in eigendom heeft. |
| 114 | motor | Zelfstandig naamwoord | /ˈmoːtɔr/ | krachtbron die met behulp van een energiebron een werktuig, machine of vervoermiddel aandrijft. |
| 115 | universiteit | Zelfstandig naamwoord | /y.ni.vɛr.ziˈtɛi̯t/ | een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening. |
| 116 | hielp | Werkwoord | /ɦilp/ | enkelvoud verleden tijd van helpen. |
| 117 | kus | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kʏs/ | het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken. |
| 118 | luistert | Werkwoord | /ˈlœystərt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luisteren. |
| 119 | gegevens | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈɣevəns/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord gegeven. |
| 120 | beveiliging | Zelfstandig naamwoord | /bəˈvɛi̯ləɣɪŋ/ | de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt. |
| 121 | nagedacht | Werkwoord | voltooid deelwoord van nadenken. | |
| 122 | gekozen | Werkwoord | voltooid deelwoord van kiezen. | |
| 123 | betaalt | Werkwoord | /bəˈtalt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van betalen. |
| 124 | betekenen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈteːkənə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 125 | verborgen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | (Zelfstandig naamwoord). | |
| 126 | publiek | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /pyˈblik/ | een groep toeschouwers; groep bezoekers. |
| 127 | carrière | Zelfstandig naamwoord | /ˌkɑ.riˈɛː.rə/ | professionele loopbaan, ontwikkeling van de werkgerelateerde maatschappelijke positie. |
| 128 | tanden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtɑn.də(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord tand. |
| 129 | rapport | Zelfstandig naamwoord | /rɑˈpɔrt/ | zitting van een afdelingscommandant waar meldingen over verkeerde toestanden of gedragingen worden uitgebracht of waar d… |
| 130 | super | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈsy.pər/ | very, extremely, super. |
| 131 | vrije | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van vrij. | |
| 132 | geheimen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord geheim. | |
| 133 | opeens | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ɔˈpens/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 134 | beest | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /beːst/ | vaak mens, meestal een man, die wild, dierlijk en/of wreed gedrag vertoont Kan zowel een positieve als negatieve bijbete… |
| 135 | afgesproken | Werkwoord | voltooid deelwoord van afspreken. | |
| 136 | halve | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɦɑl.və/ | verbogen vorm van de stellende trap van half. |
| 137 | rijdt | Werkwoord | /rɛi̯t/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijden. |
| 138 | belangrijkste | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de overtreffende trap van belangrijk. | |
| 139 | kamp | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kɑmp/ | een persoon of groep die een overeenkomst, gevecht of strijd aangaat met een andere persoon of groep. |
| 140 | leef | Werkwoord | /leːf/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leven. |
| 141 | steun | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /støːn/ | iets om op te steunen, te rusten. |
| 142 | afdeling | Zelfstandig naamwoord | /ˈɑvˌdeː.lɪŋ/ | groep van werknemers die aan dezelfde taken werken, een deel van een bedrijf of organisatie. |
| 143 | honderd | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Tussenwerpsel | /ˈɦɔn.dərt/ | honderd als hoeveelheid. |
| 144 | vorig | Bijvoeglijk naamwoord | degene die of datgene dat eerder een positie innam. | |
| 145 | rook | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /roːk/ | zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat bij verbranding opstijgt. |
| 146 | boel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bul/ | achtste maand van het jaar, in oktober-november; oude benaming, later marchesjvan (1 Kon. 6:38). |
| 147 | vecht | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vɛxt/ | enkelvoud tegenwoordige tijd van vechten. |
| 148 | strand | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /strɑnt/ | strook met zand bedekt land langs de kust. |
| 149 | magie | Zelfstandig naamwoord | /maːˈɣi/ | toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt door met rituelen, symbolen en bezweringen de hulp van bovennatuurlij… |
| 150 | oplossing | Zelfstandig naamwoord | /ˈɔpˌlɔ.sɪŋ/ | een mengsel van een stof met een vloeistof. |
| 151 | type | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈti.pə/ | door bepaalde karakteristieken herkenbare soort. |
| 152 | rusten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈrʏstə(n)/ | werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen. |
| 153 | droeg | Werkwoord | /drux/ | enkelvoud verleden tijd van dragen. |
| 154 | wellicht | Bijwoord | /ʋɛˈlɪxt/ | misschien, mogelijk, mogelijkerwijs. |
| 155 | beelden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbeːldə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord beeld. |
| 156 | genaamd | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈnamt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 157 | terugkomen | Werkwoord | /təˈrʏxˌkoːmə(n)/ | ~ op/van: een eerder gemaakte afspraak, genomen beslissing of overeengekomen regel weer ongedaan maken. |
| 158 | voeren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈvu.rə(n)/ | faciliteitengemeente en exclave in het zuidoosten van Belgisch-Limburg tussen Nederlands-Limburg en de Belgische provinc… |
| 159 | waardeer | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waarderen. | |
| 160 | nauwelijks | Bijwoord | /ˈnɑu̯.ə.ləks/ | net, op het nippertje, wel of niet. |
| 161 | bad | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bɑt/ | voorwerp waarin men zich wast met water, meestal in de vorm van een vat [1] of kuip en gemaakt van hout of een harder ma… |
| 162 | bieden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbidə(n)/ | kaartspel waarbij de spelers eerst tegen elkaar opbieden en vervolgens spelen. |
| 163 | geïnteresseerd | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˌʔɪntərɛˈsert/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 164 | verlaat | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈlaːt/ | afvoerinrichting voor water. |
| 165 | duivel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈdœy̯vəl/ | de personificatie van het kwaad. |
| 166 | overkomen | Werkwoord | /ˈoːvə(r)koːmə(n)/ | aan iemand iets ~: getroffen worden door een bepaalde gebeurtenis. |
| 167 | speelde | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van spelen. | |
| 168 | pond | Zelfstandig naamwoord | /pɔnt/ | naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt. |
| 169 | ballen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbɑlə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord bal. |
| 170 | duizenden | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord duizend. | |
| 171 | gedoe | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈdu/ | een geheel van omslachtigheden. |
| 172 | city | Zelfstandig naamwoord | /'sɪti/ | stadscentrum. |
| 173 | nerveus | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /nɛrˈvøːs/ | lijdend aan gespannen zenuwen. |
| 174 | locatie | Zelfstandig naamwoord | /loːˈkaː(t)si/ | een punt in de ruimte (waar iets bijzonders plaatsvindt). |
| 175 | blik | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /blɪk/ | cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal voor het bewaren van voedsel, drank of andere waar die kan be… |
| 176 | doelwit | Zelfstandig naamwoord | /ˈdul.ʋɪt/ | meer figuurlijk: het punt waarop men iets richt. |
| 177 | gekke | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van gek. | |
| 178 | meegemaakt | Werkwoord | /ˈmeɣɛˌmakt/ | voltooid deelwoord van meemaken. |
| 179 | twintig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈtʋɪn.təx/ | "20", het getal tussen negentien en eenentwintig, twee maal tien. |
| 180 | klant | Zelfstandig naamwoord | /klɑnt/ | iemand die iets koopt acheteur/-euse acquéreur klantenpas carte de fidélité klantenservice service (à la) clientèle Bij… |
| 181 | kerels | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord kerel. | |
| 182 | loog | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /loːx/ | een alkalische substantie. |
| 183 | post | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voorzetsel | /pɔst/ | een boekhoudkundige term voor een geboekt (aantal) bedrag(en), uren of andere administratieve eenheden. |
| 184 | aangevallen | Werkwoord | /ˈaŋɣəˌvɑlə(n)/ | voltooid deelwoord van aanvallen. |
| 185 | oren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /oːrən/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord oor. |
| 186 | springen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsprɪŋə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord spring. |
| 187 | gevolgd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | voltooid deelwoord van volgen. | |
| 188 | releases | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord release. | |
| 189 | lach | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /lɑx/ | een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak het voortbrengen van een geluid. |
| 190 | ontmoette | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van ontmoeten. | |
| 191 | zwak | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /zʋɑk/ | een zwakke plek, neiging tot. |
| 192 | ziekte | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈziktə/ | een gezondheidsprobleem. |
| 193 | sterren | Zelfstandig naamwoord | /ˈstɛrə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord ster. |
| 194 | trekt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trekken. | |
| 195 | toilet | Zelfstandig naamwoord | /tʋaːˈlɛt/ | een plaats waar men kan urineren en zich kan ontlasten, meestal een kleine gesloten ruimte met een toiletpot. |
| 196 | steen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /steːn/ | als linkerdeel van een samengesteld bijvoeglijk naamwoord om de betekenis van het rechterdeel te versterken De eerste be… |
| 197 | logisch | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈloːxis/ | betrekking hebbend op de logica. |
| 198 | landen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈlɑn.də(n)/ | hoe bepaalde zaken, uitspraken door mensen worden ontvangen of beroordeeld. |
| 199 | geloofde | Werkwoord | verbogen vorm van geloofd, voltooid deelwoord van geloven. | |
| 200 | fouten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord fout. | |
| 201 | verwachten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈwɑxtə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 202 | dankbaar | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈdɑŋk.baːr/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 203 | veroorzaakt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veroorzaken. | |
| 204 | duizend | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈdœy̯.zənt/ | zie ook het verkleinwoord duizendje: geldbiljet met een waarde van duizend frank, gulden of andere munteenheid. |
| 205 | wow | Tussenwerpsel | /ʋɑu̯/ | uitroep van verbazing. |
| 206 | aangedaan | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈaːn.ɣəˌdaːn/ | een staat waarin je verkeert als iets je emotioneel geraakt heeft. |
| 207 | jury | Zelfstandig naamwoord | /ˈʒyː.ri/ | een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken. |
| 208 | verslaan | Werkwoord | /vərˈslaːn/ | een definitieve overwinning boeken op een tegenstander. |
| 209 | vangen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈvɑŋə(n)/ | het te pakken krijgen van wilde dieren of mensen. |
| 210 | christus | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˈkrɪs.tʏs/ | in het christendom is Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God en de door God in het Oude Testament (Tenach) bij monde… |
| 211 | testen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord test. | |
| 212 | grens | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣrɛns/ | uiterste mate (bijv. waarin men zich iets kan veroorloven). |
| 213 | paniek | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /paːˈnik/ | plotselinge hevige schrik voor een echt of vermeend gevaar. |
| 214 | nogmaals | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˈnɔx.maːls/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 215 | telefoontje | Zelfstandig naamwoord | /ˌteləˈfoɲcə/ | verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord telefoon. |
| 216 | steken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsteːkə(n)/ | in brand ~: doen ontvlammen. |
| 217 | ontsnapt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ontsnappen. | |
| 218 | herinnert | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herinneren. | |
| 219 | paarden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈpaːr.də(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord paard. |
| 220 | vaders | Zelfstandig naamwoord | /ˈvadərs/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord vader. |
| 221 | theorie | Zelfstandig naamwoord | /teː.oːˈri/ | een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie. |
| 222 | kleur | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kløːr/ | in de uitdrukking persoon, man, vrouw van ~: met een niet-blanke huidskleur (opgevat als etnisch of raciaal kenmerk). |
| 223 | prins | Zelfstandig naamwoord | /prɪns/ | laagste koninklijke titel van een man of jongen. |
| 224 | vissen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈvɪ.sə(n)/ | iets proberen te weten te komen, proberen iemand iets te laten zeggen. |
| 225 | bron | Zelfstandig naamwoord | /brɔn/ | een plaats waar water uit de grond komt. |
| 226 | lid | Zelfstandig naamwoord | /lɪt/ | iemand die behoort tot een bepaalde groep, vereniging, organisatie of sekte. |
| 227 | drank | Zelfstandig naamwoord | /drɑŋk/ | te drinken vloeistof om de dorst te lessen. |
| 228 | vergadering | Zelfstandig naamwoord | /vərˈɣaː.də.rɪŋ/ | een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg. |
| 229 | gebleven | Werkwoord | /ɣəˈblevə(n)/ | voltooid deelwoord van blijven. |
| 230 | meerdere | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord | /ˈmeːr.də.rə/ | more, several, multiple. |
| 231 | ondanks | Voorzetsel, Voegwoord | /ˈɔnˌdɑŋks/ | drukt een tegenstelling met het voorafgaande uit. |
| 232 | machine | Zelfstandig naamwoord | /mɑˈʃin(ə)/ | een mechanisme dat een vorm van beweging of energie in een andere vorm van beweging of energie kan omzetten. |
| 233 | moeders | Zelfstandig naamwoord | /ˈmudərs/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord moeder. |
| 234 | signaal | Zelfstandig naamwoord | /sɪnˈjaːl/ | de elektrische spanning of stroom die afkomstig is van een detector, een microfoon, videocamera, dvd-speler, pc, sensor… |
| 235 | geslapen | Werkwoord | /[ɣəslaːpə(n)]/ | voltooid deelwoord van slapen. |
| 236 | lijden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈlɛi̯də(n)/ | ervaren, ondergaan, ondervinden, verduren (zonder dat de ervaring zelf negatief hoeft te zijn, zoals wel in bet. 1). |
| 237 | stappen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈstɑ.pə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord stap. |
| 238 | carter | Zelfstandig naamwoord | /ˈkɑrtər/ | bak om het blok van een verbrandingsmotor, als afsluiting en ook vaak als reservoir voor de smeerolie van de motor. |
| 239 | eeuwig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈeːu̯.əx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 240 | vreselijke | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van vreselijk. | |
| 241 | doodde | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van doden. | |
| 242 | dik | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /dɪk/ | dun met een grotere omvang dan normaal gros ; grosse (gʀo, gʀos) een dik boek un gros livre een dikke boom un gros arbre… |
| 243 | verkoop | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈkoːp/ | het verkopen (voor geld aan een ander geven). |
| 244 | rechtbank | Zelfstandig naamwoord | /ˈrɛxt.bɑŋk/ | een instelling waar rechtgesproken wordt. |
| 245 | harde | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | a hard one, e.g. a hard hit, a tough guy. | |
| 246 | genezen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈneːzə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 247 | begrafenis | Zelfstandig naamwoord | /bəˈɣraː.fəˌnɪs/ | ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd, de ceremonie wanneer de laatste eer aan ie… |
| 248 | veld | Zelfstandig naamwoord | /vɛlt/ | een stuk land dat speciaal voor het bedrijven van een veldsport gereedgemaakt is. |
| 249 | straf | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /strɑf/ | onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding. |
| 250 | uitgenodigd | Werkwoord | voltooid deelwoord van uitnodigen. | |
| 251 | laag | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /laːx/ | iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft. |
| 252 | kies | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /kis/ | in de natuur voorkomende verbinding van zwavel met een metaal. |
| 253 | wiens | Voornaamwoord, Lidwoord | genitief van wie: van wie, waarvan. | |
| 254 | schattig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈsxɑ.təx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 255 | dr. | Zelfstandig naamwoord | /ˈdɔk.tɔr/ | academische titel van iemand die een wetenschappelijk proefschrift succesvol verdedigd heeft. |
| 256 | schot | Zelfstandig naamwoord | /sxɔt/ | : vrouwelijk rund dat tweemaal gekalfd heeft. |
| 257 | vijanden | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord vijand. | |
| 258 | neuken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈnøːkə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 259 | broers | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord broer. | |
| 260 | jagen | Werkwoord | /ˈjaːɣə(n)/ | bewegende wezens (m.n. wilde dieren) proberen te vangen. |
| 261 | tevreden | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /təˈvreː.də(n)/ | geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken. |
| 262 | gaven | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɣavə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord gave. |
| 263 | taart | Zelfstandig naamwoord | /taːrt/ | meestal cirkelvormig zoet gebak, vooral voor feestelijke gelegenheden, gemaakt van deeg en afgewerkt met bijvoorbeeld sl… |
| 264 | domme | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van dom. | |
| 265 | flat | Zelfstandig naamwoord | /ˈflɛt/ | gebouw met een aantal opeengestapelde woonlagen (etages zn). |
| 266 | manieren | Zelfstandig naamwoord | /mɑ.ˈniː.rə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord manier. |
| 267 | afmaken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɑf.maː.kə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 268 | vriendelijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈvrindələk/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 269 | san | Zelfstandig naamwoord | /sɑn/ | verzamelnaam voor de oorspronkelijke bewoners van zuidelijk Afrika die als jagers en verzamelaars leefden. |
| 270 | sterker | Bijvoeglijk naamwoord | onverbogen vorm van de vergrotende trap van sterk. | |
| 271 | vluchten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vlɵxtə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord vlucht. |
| 272 | pers | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /pɛrs/ | inwoner van Perzië, of iemand afkomstig uit Perzië (de oude naam voor het land dat nu Iran heet). |
| 273 | project | Zelfstandig naamwoord | /proːˈjɛkt/ | een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken binnen een bepaalde tijd. |
| 274 | st | Tussenwerpsel | /sːt/ | een uitroep om stilte. |
| 275 | vertrekt | Werkwoord | /vər.ˈtrɛkt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vertrekken. |
| 276 | belang | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈlɑŋ/ | iets wat belangrijk is voor een persoon, iets wat iemand veel voordeel (of nadeel) kan opleveren. |
| 277 | lukken | Werkwoord | /ˈlʏ.kə(n)/ | tot een succes leiden. |
| 278 | geschoten | Werkwoord | /ɣəˈsxoː.tə(n)/ | voltooid deelwoord van schieten. |
| 279 | prinses | Zelfstandig naamwoord | /prɪnˈsɛs/ | de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje. |
| 280 | zwaard | Zelfstandig naamwoord | /zʋaːrt/ | een lang en scherp voorwerp, vaak van ijzer gemaakt, dat vooral vroeger vaak werd gebruikt als wapen; tegenwoordig voorn… |
| 281 | aandoen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈaːndun/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 282 | makkelijker | Bijvoeglijk naamwoord | onverbogen vorm van de vergrotende trap van makkelijk. | |
| 283 | gedragen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈdraːɣə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 284 | bende | Zelfstandig naamwoord | /ˈbɛn.də/ | een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven. |
| 285 | ernstig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɛrn.stəx/ | luchtig zonder grapjes sérieux/-ieuse (seʀjø/-jøz) een ernstig gezicht trekken prendre une mine sérieuse ernstige muziek… |
| 286 | gezond | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈzɔnt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 287 | jouwe | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voornaamwoord, Lidwoord | /ˈjɑu̯.ə/ | zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord: een persoon die tot jou behoort. |
| 288 | vingers | Zelfstandig naamwoord | /ˈvɪ.ŋərs/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord vinger. |
| 289 | las | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /lɑs/ | vastverbonden voeg tussen twee metalen voorwerpen. |
| 290 | arresteren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɑrɛsˈteːrə(n)/ | aanhouden en meenemen naar het politiebureau arrêter (aʀete) De politie arresteerde de relschoppers. La police a arrêté… |
| 291 | tuin | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /tœy̯n/ | eigenlijk 'vlechttuin', opstaande rij palen op een zinkstuk met daardoorheen gevlochten rijshout, ter voorkoming van het… |
| 292 | ideeën | Zelfstandig naamwoord | /iˈdeːə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord idee. |
| 293 | korte | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van kort. | |
| 294 | gelaten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord gelaat. | |
| 295 | vrijdag | Zelfstandig naamwoord | /ˈvrɛi̯dɑx/ | dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt. |
| 296 | opstaan | Werkwoord | /ˈɔp.staːn/ | wakker worden en uit bed gaan. |
| 297 | kunst | Zelfstandig naamwoord | /kʏnst/ | toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen. |
| 298 | sterke | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van sterk. | |
| 299 | afscheid | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɑf.sxɛi̯t/ | een begroeting bij het elkaar verlaten. |
| 300 | menselijke | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van menselijk. | |
| 301 | minister | Zelfstandig naamwoord | /miˈnɪs.tər/ | een persoon die deelneemt aan de regering van een land. |
| 302 | clark | Zelfstandig naamwoord | /ˈklɑrᵊk/ | voertuig met een hefinrichting in de vorm van een tweetandige vork die beladen pallets kan optillen en vervoeren. |
| 303 | coach | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /koːtʃ/ | iemand die beroepsmatig mensen of dieren begeleidt teneinde hun prestaties te verbeteren. |
| 304 | verboden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈboː.də(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord verbod. |
| 305 | kelder | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈkɛl.dər/ | een ondergrondse bergruimte in een woning. |
| 306 | gezelschap | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈzɛlˌsxɑp/ | iemand ~ houden': bij iemand blijven die anders alleen zou zijn. |
| 307 | bijvoorbeeld | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /bɛi̯ˈvoːrbeːlt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 308 | achtergelaten | Werkwoord | /ˈɑxtərɣəˌlaːtə(n)/ | voltooid deelwoord van achterlaten. |
| 309 | duur | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /dyr/ | benodigd tijdbestek. |
| 310 | compleet | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /kɔmˈpleːt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 311 | eng | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɛŋ/ | het symbool en de letter ŋ en de bijbehorende klank. |
| 312 | toeval | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtu.vɑl/ | : een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest. |
| 313 | snapt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snappen. | |
| 314 | hiervan | Bijwoord | van dit, van deze. | |
| 315 | miljoenen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord miljoen. | |
| 316 | war | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ʋɑr/ | kwast, knoest in hout. |
| 317 | melk | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /mɛlk/ | witte vloeistof (suspensie) van andere herkomst, bijvoorbeeld van soja of kokosnoot. |
| 318 | lui | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /lœy̯/ | geschikt om op zijn gemak in te zijn. |
| 319 | genieten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣəˈnitə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 320 | aannemen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈaːˌneːmə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 321 | uitstekend | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /œy̯tˈsteːkənt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 322 | tegenover | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel | /ˌteː.ɣəˈnoː.vər/ | aan de overzijde van. |
| 323 | dichterbij | Bijvoeglijk naamwoord | /ˌdɪxtərˈbɛɪ/ | onverbogen vorm van de vergrotende trap van dichtbij. |
| 324 | kocht | Werkwoord | /kɔxt/ | enkelvoud verleden tijd van kopen. |
| 325 | stuurt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sturen. | |
| 326 | volle | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van vol. | |
| 327 | schijnt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schijnen. | |
| 328 | lenen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈleːnə(n)/ | iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding. |
| 329 | moed | Zelfstandig naamwoord | /mut/ | vertrouwen op een goede afloop. |
| 330 | vergissing | Zelfstandig naamwoord | /vərˈɣɪsɪŋ/ | iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken. |
| 331 | patiënten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord patiënt. | |
| 332 | toon | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /toːn/ | een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte, een trilling met een frequentie. |
| 333 | normale | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van normaal. | |
| 334 | broeder | Zelfstandig naamwoord | /ˈbrudər/ | soort oliebol: baksel van meel, melk, stroop en vaak nog andere zoetigheden met een bruine korst gebakken of in een zak… |
| 335 | kaarten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord kaart. | |
| 336 | films | Zelfstandig naamwoord | /ˈfɪlᵊms/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord film. |
| 337 | reizen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈrɛi̯.zə(n)/ | gericht onderweg zijn naar een bepaalde bestemming. |
| 338 | ruim | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /rœy̯m/ | de laadruimte van een schip. |
| 339 | herinneringen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord herinnering. | |
| 340 | gedachte | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣəˈdɑx.tə/ | hetgeen wat men denkt. |
| 341 | saai | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /saːi/ | oninteressant, eentonig. |
| 342 | roken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈroːkə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord rook. |
| 343 | truck | Zelfstandig naamwoord | /tryk/ | vrachtauto waarvan de aanhangwagen op een draaibaar onderstel zit. |
| 344 | gaaf | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣaːf/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 345 | tegenwoordig | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˌteː.ɣə(n)ˈʋoːr.dəx/ | in de huidige tijd. |
| 346 | kwestie | Zelfstandig naamwoord | /ˈkʋɛs.ti/ | geschil, ruzie, onenigheid. |
| 347 | zette | Werkwoord | /ˈzɛtə/ | enkelvoud verleden tijd van zetten. |
| 348 | opzij | Bijwoord | /ɔpˈsɛi/ | bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord. |
| 349 | gaande | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voorzetsel | /ˈɣandə/ | verbogen vorm van gaand, het onvoltooid deelwoord van gaan. |
| 350 | omgeving | Zelfstandig naamwoord | /ˌɔmˈɣeː.vɪŋ/ | een personenkring waarin iemand zich bevindt. |
| 351 | kip | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kɪp/ | munteenheid van Laos, eigenlijk Laotiaanse kip (code LAK volgens ISO 4217). |
| 352 | verstopt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verstoppen. | |
| 353 | leerde | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van leren. | |
| 354 | vanochtend | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /vɑˈnɔxtənt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 355 | kast | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kɑst/ | een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen. |
| 356 | officieel | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˌɔ.fiˈʃeːl/ | erkend door bevoegd gezag. |
| 357 | aanbod | Zelfstandig naamwoord | /ˈaːm.bɔt/ | het geheel aan beschikbare goederen en diensten op micro-economisch niveau. |
| 358 | SMS | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˌɛs.ɛmˈɛs/ | dienst om met behulp van een mobiele telefoon korte berichten te versturen en te ontvangen. |
| 359 | vernietigd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | destroyed. | |
| 360 | verliest | Werkwoord | /vər.ˈlist/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verliezen. |
| 361 | menselijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈmɛn.sə.lək/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 362 | contract | Zelfstandig naamwoord | /kɔnˈtrɑkt/ | een schriftelijk vastgelegde overeenkomst. |
| 363 | lady | Zelfstandig naamwoord | /ˈledi/ | beleefde aanduiding voor een vrouw. |
| 364 | mooiste | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de overtreffende trap van mooi. | |
| 365 | flink | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /flɪŋk/ | A sturdy or stalwart person. |
| 366 | majesteit | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | een vorst of vorstin waaraan als titel [1] wordt toegedicht. | |
| 367 | sukkel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | dom, onhandig persoon. | |
| 368 | stopte | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van stoppen. | |
| 369 | haalde | Werkwoord | /ˈhaɫdə/ | enkelvoud verleden tijd van halen. |
| 370 | verdiend | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈdint/ | voltooid deelwoord van verdienen. |
| 371 | genoegen | Zelfstandig naamwoord | /ɣə.ˈnu.ɣə(n)/ | iets waar men plezier aan beleeft. |
| 372 | senator | Zelfstandig naamwoord | /seˈnatɔr/ | iemand die zitting heeft in de senaat, oorspronkelijk de raad van ouderen. |
| 373 | internet | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɪn.tərˌnɛt/ | een wereldwijd netwerk van computers met een gemeenschappelijk, gestandaardiseerd protocol (het Internet Protocol, IP). |
| 374 | vloer | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vlur/ | bodem van een ruimte in een gebouw. |
| 375 | zwemmen | Werkwoord | /ˈzʋɛ.mə(n)/ | zich gecoördineerd door het water voortbewegen. |
| 376 | bedoeld | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /bəˈdult/ | voltooid deelwoord van bedoelen. |
| 377 | opgesloten | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | voltooid deelwoord van opsluiten. | |
| 378 | ontslag | Zelfstandig naamwoord | /ˌɔntˈslɑx/ | het verbreken van het dienstverband met een werknemer. |
| 379 | bekijk | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈkɛik/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekijken. |
| 380 | borst | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bɔrst/ | bovenste deel van de voorkant van de romp van mens (of vergelijkbaar deel bij dier), van onder begrensd door het middenr… |
| 381 | schreeuwen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsxreːu̯ə(n)/ | luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid. |
| 382 | bevalt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bevallen. | |
| 383 | hoger | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɦoːɣər/ | onverbogen vorm van de vergrotende trap van hoog. |
| 384 | blanke | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈblɑŋ.kə/ | iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid. |
| 385 | redenen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈreːdənə(n)/ | to discuss. |
| 386 | harder | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /'ɦɑrdər/ | benaming voor zeevissen uit de familie Mugilidae. |
| 387 | ontvoerd | Werkwoord | voltooid deelwoord van ontvoeren. | |
| 388 | vasthouden | Werkwoord | beletten dat iets losgaat. | |
| 389 | behandelen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈɦɑndələ(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 390 | berg | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bɛrx/ | een substantiële opzichzelfstaande verhoging van de aardkorst. |
| 391 | noorden | Zelfstandig naamwoord | /ˈnoːr.də(n)/ | een van de windstreek, die op landkaarten overeenkomt met de bovenkant. |
| 392 | opgeven | Werkwoord | /ˈɔpˌxeːvə(n)/ | de strijd/competitie e.d. staken en zich gewonnen geven. |
| 393 | bepaald | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /bəˈpaːlt/ | om te verwijzen naar een specifiek geval dat uit de context duidelijk is (ter onderscheiding van de algemene betekenis… |
| 394 | spelletje | Zelfstandig naamwoord | /ˈspɛləcə/ | verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord spel. |
| 395 | maatje | Zelfstandig naamwoord | /ˈmacə/ | alleen verkleinwoord iemand met wie je bij uitstek een nauwe vriendschappelijke relatie hebt. |
| 396 | daardoor | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /daːrˈdoːr/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 397 | omstandigheden | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord omstandigheid. | |
| 398 | opgelost | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | voltooid deelwoord van oplossen. | |
| 399 | heus | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ɦøːs/ | hoffelijk, beleefd. |
| 400 | koken | Werkwoord | /ˈkoː.kə(n)/ | een vloeistof (vooral water) net zolang verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijg… |
| 401 | vingerafdrukken | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord vingerafdruk. | |
| 402 | trut | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /trɵt/ | weinig aantrekkelijke en overdreven preutse vrouw. |
| 403 | eenvoudig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌeːnˈvɑu̯.dəx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 404 | hiervoor | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˈhiervor/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 405 | stukken | Zelfstandig naamwoord | /ˈstʏkə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord stuk. |
| 406 | tent | Zelfstandig naamwoord | /tɛnt/ | openbare plek (bijv. een café of restaurant) of andere openbare gelegenheid; bij uitbreiding ook een bepaalde leefruimte… |
| 407 | pauze | Zelfstandig naamwoord | /ˈpɑu̯.zə/ | tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken. |
| 408 | raden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈraːdə(n)/ | een gissing maken naar iets. |
| 409 | roepen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈrupə(n)/ | met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen. |
| 410 | leugenaar | Zelfstandig naamwoord | /ˈløɣəˌnar/ | iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn. |
| 411 | bek | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bɛk/ | iets dat qua vorm of beweging overeenkomst vertoont met een bek. |
| 412 | vervangen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈvɑŋə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 413 | alarm | Zelfstandig naamwoord | /aːˈlɑrm/ | een waarschuwing tegen gevaar. |
| 414 | interesse | Zelfstandig naamwoord | /ɪn.təˈrɛ.sə/ | belang, belangrijkheid, importantie. |
| 415 | talent | Zelfstandig naamwoord | /taːˈlɛnt/ | een bepaald gewicht en een geldsom. |
| 416 | bereikt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bereiken. | |
| 417 | kanker | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel | /ˈkɑŋ.kər/ | gebruikt als eerste deel van samenstelling om het negatieve karakter van het tweede deel te versterken #:⚠️ Dit gebruik… |
| 418 | aangezien | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voegwoord | /ˈaːŋ.ɣə.ˌzin/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 419 | beslissen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈslɪsə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 420 | des | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voegwoord, Lidwoord | /dɛs/ | de afkorting voor di-ethylstilbestrol, een synthetisch hormoon dat gebruikt werd om dreigende miskramen te voorkomen en… |
| 421 | rose | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈrɔːzə/ | verouderde spelling of vorm van roze tot 1996, als variant. |
| 422 | cadeau | Zelfstandig naamwoord | /kaːˈdoː/ | iets dat men aan iemand geeft zonder tegenprestatie, meestal ter gelegenheid van een feestelijke gebeurtenis. |
| 423 | kerst | Zelfstandig naamwoord | /kɛrst/ | de periode van kerstavond tot en met tweede kerstdag. |
| 424 | invloed | Zelfstandig naamwoord | /ˈɪn.vlut/ | inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere. |
| 425 | geheugen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣəˈɦøːɣə(n)/ | snel toegankelijke plaats om data op te slaan waarin programma's worden opgeslagen die uitgevoerd worden. |
| 426 | station | Zelfstandig naamwoord | /staːˈʃɔn/ | plaats waar voertuigen (met name treinen) kunnen stoppen voor het in- en uitstappen van reizigers en het in- en uitladen… |
| 427 | doorheen | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel | /doːrˈɦeːn/ | een ruimte helemaal doorkruisend. |
| 428 | vogel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈvoːɣəl/ | gewerveld dier behorend tot de klasse Aves met twee vleugels, twee poten, een snavel en een met veren bedekt lichaam dat… |
| 429 | verantwoordelijkheid | Zelfstandig naamwoord | /vərɑntˈʋoːrdələkɦɛi̯t/ | de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt. |
| 430 | pillen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈpɪlə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord pil. |
| 431 | rome | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈroː.mə/ | de hoofdstad van Italië. |
| 432 | diner | Zelfstandig naamwoord | /diˈneː/ | avondmaaltijd in het algemeen. |
| 433 | besluit | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈslœy̯t/ | schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. |
| 434 | vlug | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /'vlɵ.ɣə/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 435 | deuren | Zelfstandig naamwoord | /ˈdøːrən/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord deur. |
| 436 | woonde | Werkwoord | /ˈʋoːn.də/ | enkelvoud verleden tijd van wonen. |
| 437 | west | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ʋɛst/ | The direction opposite to that of the earth's rotation, specifically 270°. |
| 438 | huh | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ɦʏ/ | |
| 439 | verstand | Zelfstandig naamwoord | /vərˈstɑnt/ | denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein). |
| 440 | moeilijke | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈmuːjləkə/ | verbogen vorm van de stellende trap van moeilijk. |
| 441 | juffrouw | Zelfstandig naamwoord | /ˈjʏfrɑu̯/ | gewoonlijk ongehuwde, vrouw. |
| 442 | bescherming | Zelfstandig naamwoord | /bəˈsxɛrmɪŋ/ | een beveiliging. |
| 443 | stilte | Zelfstandig naamwoord | /ˈstɪl.tə/ | het ontbreken van geluid. |
| 444 | bak | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bɑk/ | stevig voorwerp waarvan één zijde open is en waarin iets kan worden bewaard. Het grondvlak van dit object is meestal rec… |
| 445 | papier | Zelfstandig naamwoord | /paːˈpiːr/ | een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal. |
| 446 | erom | Bijwoord | /əˈrɔm/ | persoonlijk *om+het, *om+ze: om de reden. |
| 447 | volledige | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van volledig. | |
| 448 | zojuist | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /zoːˈjœy̯st/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 449 | kilo | Zelfstandig naamwoord | /ˈkiloː/ | informele afkorting van "kilogram" (kilogramkracht) een eenheid voor een gewicht of kracht, (niet volgens het SI-stelsel… |
| 450 | vormen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈvɔrmə(n)/ | deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van. |
| 451 | vaarwel | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /vaːrˈʋɛl/ | a farewell, an occasion of saying goodbye; a departure. |
| 452 | storm | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /stɔrm/ | erg harde wind tempête vrouwelijk een storm van windkracht 9 une tempête force 9 Door de storm kwamen schepen in de prob… |
| 453 | hoed | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɦut/ | het bovenste gedeelte van het vruchtlichaam van een zwam. |
| 454 | leugen | Zelfstandig naamwoord | /ˈløː.ɣə(n)/ | mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden. |
| 455 | ambulance | Zelfstandig naamwoord | /ˌɑm.byˈlɑn.sə/ | voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen. |
| 456 | opgenomen | Werkwoord | voltooid deelwoord van opnemen. | |
| 457 | beslist | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /bəˈslɪst/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 458 | pizza | Zelfstandig naamwoord | /ˈpitsaː/ | gerecht van een belegde broodbodem. |
| 459 | verdween | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van verdwijnen. | |
| 460 | ontdekken | Werkwoord | /ɔnˈdɛ.kən/ | iets vinden of leren waarvan het bestaan voorheen niet bekend was bij de ontdekker. |
| 461 | eenheid | Zelfstandig naamwoord | /ˈeːn.ɦɛi̯t/ | een bij elkaar horend geheel (systeem) met kenmerkende eigenschappen. |
| 462 | verzoek | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈzuk/ | document waarin wordt gevraagd om iets te doen, te laten of toe te staan. |
| 463 | overtuigen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˌoː.vərˈtœy̯.ɣə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 464 | militaire | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van militair. | |
| 465 | kogels | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord kogel. | |
| 466 | toegeven | Werkwoord | /ˈtuˌɣeː.və(n)/ | erkennen, bekennen. |
| 467 | gedronken | Werkwoord | /ɣəˈdrɔŋkə(n)/ | voltooid deelwoord van drinken. |
| 468 | high | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɦɑi̯/ | in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend (al dan niet door drugsgebruik). |
| 469 | gekeken | Werkwoord | /ɣə'kekə(n)/ | voltooid deelwoord van kijken. |
| 470 | cent | Zelfstandig naamwoord | /sɛnt/ | een duizendste logaritmisch deel van een octaaf. |
| 471 | punten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈpʏn.tə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord punt. |
| 472 | reet | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /reːt/ | heel erg, in de vorm "rete-" gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden als versterker van het r… |
| 473 | garage | Zelfstandig naamwoord | /ˌɣaːˈraː.ʒə/ | een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht. |
| 474 | vrees | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vreːs/ | het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn. |
| 475 | big | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bɪx/ | jong varken porcelet (pɔʀselɛt) mannelijk. |
| 476 | kluis | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /klœy̯s/ | een kluizenarij, een woning waar een kluizenaar verblijft. |
| 477 | slaapkamer | Zelfstandig naamwoord | /ˈslaːpˌkaː.mər/ | een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen. |
| 478 | vandoor | Bijwoord | /vɑnˈdoːr/ | prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord. |
| 479 | wit | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ʋɪt/ | lichtst mogelijke kleur, kleur die wordt waargenomen bij een gelijkmatige vermenging van alle zichtbare kleurtinten in h… |
| 480 | bezoeken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈzukə(n)/ | bij iets of iemand langsgaan of langskomen. |
| 481 | politiek | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /poːliˈtik/ | datgene wat gerelateerd is aan het besturen van een samenleving. |
| 482 | mogelijkheid | Zelfstandig naamwoord | /ˈmoːɣələkˌɦɛi̯t/ | iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren. |
| 483 | vertrok | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van vertrekken. | |
| 484 | verdomd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /vərˈdɔmt/ | waardeloos, teleurstellend. |
| 485 | vervelend | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈveːlənt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 486 | rekenen | Werkwoord | /ˈreːkənə(n)/ | ~ op vast vertrouwen op de uitkomst van een berekening of afspraak. |
| 487 | klap | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /klɑp/ | een bestraffing door slagen met de open hand. |
| 488 | aanbieden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈaːnˌbidə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 489 | streek | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /streːk/ | deel van een entiteit (bijv. anatomisch) met specifieke eigenschappen (-> bilstreek, hartstreek, maagstreek, kompasstree… |
| 490 | zaterdag | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈzaːtərˌdɑx/ | (Bijvoeglijk naamwoord). |
| 491 | uwe | Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord | /ˈyu̯ə/ | zelfstandige vorm van uw, tweede persoon beleefdheidsvorm. |
| 492 | zicht | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /zɪxt/ | uit het zicht: dat wat men niet kan zien, onzichtbaar. |
| 493 | elf | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɛl(ə)f/ | vriendelijke natuurgeest, meestal in de gedaante van een meisje met vleugels. |
| 494 | gewend | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈwɛnt/ | voltooid deelwoord van gewennen. |
| 495 | reactie | Zelfstandig naamwoord | /reːˈjɑksi/ | een proces waarbij stoffen veranderen doordat er bindingen gevormd en/of verbroken worden. |
| 496 | jazeker | Bijwoord, Tussenwerpsel | /jaːˈzeːkər/ | certainly, for sure. |
| 497 | blauw | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /blɑu̯/ | primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet. |
| 498 | herken | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herkennen. | |
| 499 | verbonden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈbɔndə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord verbond. |
| 500 | reken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈreː.kən/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rekenen. |
| 501 | schoonheid | Zelfstandig naamwoord | /ˈsxoːn.ɦɛi̯t/ | iemand (in het bijzonder een vrouw) die schoonheid bezit. |
| 502 | ho | Tussenwerpsel | /ho/ | uitroep die iets tot staan wil brengen. |
| 503 | klus | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /klʏs/ | karwei, in het bijzonder met de hand en met behulp van gereedschap; bij uitbreiding ook andere soorten werkzaamheden. |
| 504 | verandering | Zelfstandig naamwoord | /vərˈɑndərɪŋ/ | iets dat anders is geworden. |
| 505 | vermoordt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vermoorden. | |
| 506 | accepteren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɑk.sɛpˈteːrə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 507 | biertje | Zelfstandig naamwoord | /ˈbircə/ | verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord bier. |
| 508 | helen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɦeː.lə(n)/ | jongensnaam. |
| 509 | gebouwd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈbɑut/ | voltooid deelwoord van bouwen. |
| 510 | aankomen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈaːŋkoːmə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 511 | trok | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /trɔk/ | current of air, draft. |
| 512 | verhuizen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈɦœy̯ˌzə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 513 | waarde | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈʋaːr.də/ | iets waar een persoon of een groep van personen belang aan hecht, dit leidt vaak tot het stellen van al dan niet geschre… |
| 514 | troep | Zelfstandig naamwoord | /trup/ | vele waardeloze spullen door elkaar. |
| 515 | kust | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kʏst/ | de waterkant langs de zee. |
| 516 | graf | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ɣrɑf/ | plaats waar één of meer lijken begraven liggen. |
| 517 | dans | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /dɑns/ | een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme. |
| 518 | verdediging | Zelfstandig naamwoord | /vərˈdeː.də.ɣɪŋ/ | diegenen die een actie als onder [1] ondernemen of geacht worden te zullen ondernemen (bij de achterhoede). |
| 519 | bleek | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /bleːk/ | grasveld waarop wasgoed in het zonlicht te bleken werd gelegd. |
| 520 | taal | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /taːl/ | systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke vastlegging hiervan. |
| 521 | grotere | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de vergrotende trap van groot. | |
| 522 | dier | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord | /diːr/ | met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen. |
| 523 | aanklacht | Zelfstandig naamwoord | /ˈaːŋ.klɑxt/ | officiële beschuldiging accusation (akysasjɔ~) vrouwelijk een aanklacht indienen tegen degene die je mishandeld heeft dé… |
| 524 | overheid | Zelfstandig naamwoord | /ˈovərɦɛit/ | een gezagvoerend lichaam als werkgever of bedrijf. |
| 525 | wed | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ʋɛt/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wedden. |
| 526 | lossen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈlɔ.sə(n)/ | afhaken, achteropraken. |
| 527 | huizen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈhœyzə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord huis. |
| 528 | uiteraard | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˈœy̯.tər.aːrt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 529 | gerust | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | zonder angst of zorg. | |
| 530 | manager | Zelfstandig naamwoord | /ˈmɛ.nə.dʒər/ | iemand die voor artiesten, beroepssportlui enz. zakelijke belangen behartigt, impressario. |
| 531 | verdedigen | Werkwoord | /ˌvərˈdeː.də.ɣə(n)/ | beschermen tegen een aanval. |
| 532 | valse | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van vals. | |
| 533 | lieten | Werkwoord | /ˈlitə(n)/ | meervoud verleden tijd van laten. |
| 534 | westen | Zelfstandig naamwoord | /ˈʋɛs.tə(n)/ | het niet-communistische, kapitalistische Europa, Noord-Amerika en Australië, Nieuw-Zeeland (evt. ook Japan). |
| 535 | amper | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈɑmpər/ | A tumour, often accompanied by inflammation; pustule; varicose vein; pus; atter. |
| 536 | bekeken | Werkwoord | /bəˈkekə(n)/ | meervoud verleden tijd van bekijken. |
| 537 | stal | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /stɑl/ | een (handels-)onderneming die deelneemt aan wedstrijden met paarden, auto’s en dergelijke. |
| 538 | job | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /dʒɔp/ | man uit het land Us, die trouw is aan God, maar aan wie alles wordt ontnomen, waarna hij tot inzicht probeert te komen (… |
| 539 | maakten | Werkwoord | /ˈmaːk.tə(n)/ | meervoud verleden tijd van maken. |
| 540 | niveau | Zelfstandig naamwoord | /niˈvoː/ | rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, plaats in een rangschikking van hoog naar laag; rangschikking van groo… |
| 541 | binnenkomen | Werkwoord | /ˈbɪnə(n)koːmə(n)/ | een ruimte betreden (vanuit die ruimte gezien). |
| 542 | poging | Zelfstandig naamwoord | /ˈpoː.ɣɪŋ/ | een daad waarmee men tracht een doel te bereiken. |
| 543 | behandeld | Werkwoord | /bəˈɦɑndəlt/ | voltooid deelwoord van behandelen. |
| 544 | overtuigd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | voltooid deelwoord van overtuigen. | |
| 545 | gewacht | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣəˈʋɑxt/ | voltooid deelwoord van wachten. |
| 546 | stroom | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /stroːm/ | elektrische stroom, het transport van elektrische lading door de beweging van elektronen door geleiders en halfgeleiders… |
| 547 | wetenschap | Zelfstandig naamwoord | /ˈʋeːtənˌsxɑp/ | alle kennis die we hebben op een bepaald gebied en de systematische manier waarop we verdere kennis kunnen verkrijgen sc… |
| 548 | momenteel | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | op dit moment. | |
| 549 | wauw | Tussenwerpsel | /ʋɑu̯/ | uitroep van verbazing. |
| 550 | liedje | Zelfstandig naamwoord | /ˈlicə/ | alleen verkleinwoord verklanking van een tekst op muziek, vooral bedoeld als vermaak. |
| 551 | vals | Bijvoeglijk naamwoord | /vɑls/ | : snel geneigd tot wangedrag, zoals onverhoeds bijten; m.n. gezegd van honden. |
| 552 | onderzocht | Werkwoord | /ˌɔndərˈzɔxt/ | enkelvoud verleden tijd van onderzoeken. |
| 553 | duurde | Werkwoord | /ˈdyrdə/ | enkelvoud verleden tijd van duren. |
| 554 | keel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /keːl/ | /: lichaamsopening beginnend achter in de mondholte waardoor voedsel en drank het lichaam in komt. |
| 555 | schepen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsxeːpə(n)/ | vroegere rechtsambtenaar en bestuurder in steden en dorpen. |
| 556 | gouden | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɣɑu̯.də(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 557 | blind | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /blɪnt/ | vensterluik. |
| 558 | achterlaten | Werkwoord | /ˈɑxtərlaːtə(n)/ | dumpen, weggaan van, verlaten, niet meenemen. |
| 559 | gevangene | Zelfstandig naamwoord | iemand die gevangen genomen is. | |
| 560 | voordeel | Zelfstandig naamwoord | /ˈvoːr.deːl/ | term die aangeeft dat een speler bij een 40-40-stand een punt heeft gescoord en dus maar één punt verwijderd is van de w… |
| 561 | gevangenen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord gevangene. | |
| 562 | eieren | Zelfstandig naamwoord | /ˈɛi̯.(j)ə.rə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord ei. |
| 563 | verbrand | Werkwoord | /vərˈbrɑnt/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verbranden. |
| 564 | geduld | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣəˈdʏlt/ | de rust en bereidheid om te wachten. |
| 565 | eeuw | Zelfstandig naamwoord | /eːu̯/ | een periode van 100 jaar. |
| 566 | gescheiden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈsxɛidə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 567 | snelheid | Zelfstandig naamwoord | /ˈsnɛl.ɦɛi̯t/ | mate waarin je vooruitkomt in een bepaalde tijd; hoe snel je vooruitgaat vitesse vrouwelijk De auto reed met een snelhei… |
| 568 | aardige | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈardəɣə/ | verbogen vorm van de stellende trap van aardig. |
| 569 | rotzooi | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈrɔt.zoːi̯/ | wanordelijke zaak of toestand. |
| 570 | heette | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van heten. | |
| 571 | brak | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /brɑk/ | een jachthond die gebruikt wordt voor de jacht op lopend wild. |
| 572 | lichamen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord lichaam. | |
| 573 | bidden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbɪdə(n)/ | Noun. [B1]. |
| 574 | natuur | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /naːˈtyr/ | alles wat niet door bewust menselijk handelen is ontstaan, zoals het bestudeerd en beschreven wordt door wetenschappen a… |
| 575 | wijs | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ʋɛi̯s/ | van groot inzicht getuigend. |
| 576 | buik | Zelfstandig naamwoord | /bœy̯k/ | het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de b… |
| 577 | vinger | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈvɪŋər/ | elk van de 5 gelede extremiteiten waar de hand zich in splitst. |
| 578 | gespeeld | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | voltooid deelwoord van spelen. | |
| 579 | feiten | Zelfstandig naamwoord | /fɛi̯tən/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord feit. |
| 580 | virus | Zelfstandig naamwoord | /ˈviː.rʏs/ | computers computerprogramma dat naar je computer gestuurd wordt, die daardoor minder goed werkt virus mannelijk Help! Mi… |
| 581 | ha | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ha/ | Bantoetaal met een klein miljoen sprekers in Tanzania tegen de grens met Burundi. |
| 582 | plus | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voorzetsel, Voegwoord | /plʏs/ | +: teken voor (optelling van) positieve getallen. |
| 583 | groene | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɣru.nə/ | een persoon in het groen of geassocieerd met de kleur groen. |
| 584 | bomen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈboː.mə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord boom. |
| 585 | personeel | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /pɛr.soːˈneːl/ | de personen die een bedrijf in loondienst heeft. |
| 586 | karen | Zelfstandig naamwoord | /ˈkaːrən/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord kaar. |
| 587 | pakt | Werkwoord | /pɑkt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pakken. |
| 588 | plekken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈplɛkə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord plek. |
| 589 | commissaris | Zelfstandig naamwoord | /ˌkɔ.mɪˈsaː.rɪs/ | een persoon die zitting heeft in een commissie van toezicht b.v. iemand die namens de aandeelhouders belast is met het t… |
| 590 | zuiden | Zelfstandig naamwoord | /ˈzœy̯.də(n)/ | een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de onderkant. |
| 591 | rechten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈrɛxtə(n)/ | je lichaamshouding corrigeren. |
| 592 | veranderde | Werkwoord | verbogen vorm van veranderd, voltooid deelwoord van veranderen. | |
| 593 | stof | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /stɔf/ | verzameling heel kleine deeltjes. |
| 594 | badkamer | Zelfstandig naamwoord | /ˈbɑtˌkaː.mər/ | een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen. |
| 595 | leugens | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord leugen. | |
| 596 | zondag | Zelfstandig naamwoord | /ˈzɔndɑx/ | een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt. |
| 597 | erheen | Bijwoord | /ərˈɦeːn/ | persoonlijk: in de richting van + het. |
| 598 | smaak | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /smaːk/ | gewaarwording bij het proeven van eten en drank. |
| 599 | aanwezig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌaːnˈʋeː.zəx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 600 | leraar | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈleː.raːr/ | iemand die lesgeeft. |
| 601 | maandag | Zelfstandig naamwoord | /ˈmaːn.dɑx/ | een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde. |
| 602 | verliet | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van verlaten. | |
| 603 | leefde | Werkwoord | /ˈlefdə/, /ˈlevdə/ | enkelvoud verleden tijd van leven. |
| 604 | pakte | Werkwoord | /ˈpɑktə/ | enkelvoud verleden tijd van pakken. |
| 605 | bergen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbɛrɣə(n)/ | een gemeente in de Noorse provincie Hordaland en tevens de op één na grootste stad van Noorwegen. |
| 606 | woede | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈʋudə/ | gevoel van erge kwaadheid. |
| 607 | studeren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /styˈdeːrə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 608 | sliep | Werkwoord | /slip/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sliepen. |
| 609 | kleding | Zelfstandig naamwoord | /ˈkleːdɪŋ/ | wat je over je lichaam aantrekt, ter bescherming of voor het mooi vêtements mannelijk meervoud habits mannelijk meervoud… |
| 610 | stonden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈstɔndə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord stonde. |
| 611 | troepen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtrupə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord troep. |
| 612 | eindigen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɛi̯ndəɣə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 613 | feite | Zelfstandig naamwoord | /fɛi̯tə/ | datief onzijdig van feit. |
| 614 | hemelsnaam | Zelfstandig naamwoord | in ~: bijwoordelijke uitdrukking die verbijstering, ontzetting of wrevel uitdrukt. | |
| 615 | groeien | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɣrui̯ə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 616 | piloot | Zelfstandig naamwoord | /piˈloːt/ | instrument dat een voertuig zelfstandig zonder tussenkomst van een mens kan besturen. |
| 617 | geesten | Zelfstandig naamwoord | /ˈɣestə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord geest. |
| 618 | controleer | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van controleren. | |
| 619 | verslag | Zelfstandig naamwoord | /vərˈslɑx/ | bericht over een gebeurtenis of toestand. |
| 620 | ex | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voorzetsel | /ɛks/ | voormalige echtgenoot of geliefde. |
| 621 | heks | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɦɛks/ | een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven. |
| 622 | daarbij | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /daːrˈbɛi̯/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 623 | waarschuwen | Werkwoord | /ˈʋaːrˌsxyu̯ə(n)/ | iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn. |
| 624 | melden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈmɛldə(n)/ | iets rapporteren, bekendmaken. |
| 625 | oceaan | Zelfstandig naamwoord | /ˌoː.seːˈjaːn/ | een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen. |
| 626 | gas | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Uitdrukking | /ɣɑs/ | brandbaar gas (1) dat gebruikt wordt als brandstof, bijvoorbeeld aardgas, butagas of lpg gaz mannelijk Vroeger kookte ik… |
| 627 | goden | Zelfstandig naamwoord | /ˈɣodə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord god. |
| 628 | mogelijke | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van mogelijk. | |
| 629 | voorlopig | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /vorˈlopəx/ | tijdelijk in afwachting van iets definitiefs. |
| 630 | verslagen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈslaɣə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord verslag. |
| 631 | gepland | Werkwoord | /ɣəˈplɛnt/ | voltooid deelwoord van plannen. |
| 632 | verdacht | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /vərˈdɑxt/ | suspicion. |
| 633 | opgepakt | Werkwoord | voltooid deelwoord van oppakken. | |
| 634 | privé | Bijvoeglijk naamwoord | /priˈveː/ | alleen predicatief: voor persoonlijk gebruik gereserveerd. |
| 635 | voren | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˈvoːrə(n)/ | van ~: aan of van de voorzijde. |
| 636 | knappe | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van knap. | |
| 637 | koffer | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈkɔ.fər/ | draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen. |
| 638 | zonde | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈzɔn.də/ | overtreding van een door mensen gestelde norm. |
| 639 | naakt | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /naːkt/ | afbeelding van een naakte persoon of groep, inz. als kunstwerk of porno. |
| 640 | neen | Bijwoord, Tussenwerpsel | /neːn/ | The eyes. |
| 641 | plegen | Werkwoord | /ˈpleːɣə(n)/ | begaan, een (gewoonlijk verboden) handeling uitvoeren. |
| 642 | excuus | Zelfstandig naamwoord | /ɛksˈkys/ | de reden dat je iets fout hebt gedaan zonder er de verantwoordelijkheid voor te willen dragen. |
| 643 | verrast | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vəˈrɑst/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verrassen. |
| 644 | dienen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈdinə(n)/ | militair soldaat zijn servir (sɛʀviʀ) Hij heeft twee jaar in het leger gediend. Il a servi pendant deux ans dans l'armée… |
| 645 | graden | Zelfstandig naamwoord | /ˈɣradə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord graad. |
| 646 | ongelofelijk | Bijvoeglijk naamwoord | /ˌɔŋɣəˈlofələk/ | onmogelijk om geloof aan te schenken. |
| 647 | haten | Werkwoord | /ˈɦaːtə(n)/ | kwade gevoelens jegens iemand koesteren. |
| 648 | ervandoor | Bijwoord | /ər.vɑnˈdoːr/ | onvindbaar weg. |
| 649 | opgewonden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɔp.xəˌʋɔn.də(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 650 | sterf | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sterven. | |
| 651 | dubbele | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van dubbel. | |
| 652 | boerderij | Zelfstandig naamwoord | /ˌbur.dəˈrɛi̯/ | een woning met bedrijfsruimte van een boer. |
| 653 | rijke | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈrɛi̯kə/ | verbogen vorm van de stellende trap van rijk. |
| 654 | bord | Zelfstandig naamwoord | /bɔrt/ | vlak voorwerp (vaak van hout) gemaakt om daarop een bepaald spel te spelen; deze spelen noemt men dan ook bordspelen. |
| 655 | honderden | Zelfstandig naamwoord | /ˈhɔndərdə(n)/ | aantal dat geschat wordt tussen 200 en 1000 te liggen. |
| 656 | klootzakken | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord klootzak. | |
| 657 | herstellen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɦɛrˈstɛlə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 658 | schrijft | Werkwoord | /sxrɛift/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrijven. |
| 659 | wc | Zelfstandig naamwoord | /ʋeːˈseː/ | toilet [1]. |
| 660 | ernaar | Bijwoord | /ərˈnaːr/ | vervangt *naar+ het, naar + ze. |
| 661 | lord | Zelfstandig naamwoord | /lɔrd/ | aanspreektitel voor een hoge Britse edelman, hoogwaardigheidsbekleder of hogere ambtenaar. |
| 662 | besloot | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van besluiten. | |
| 663 | behandeling | Zelfstandig naamwoord | /bəˈɦɑn.də.lɪŋ/ | een handeling gericht op herstel. |
| 664 | morgenochtend | Bijwoord | /ˌmɔrɣənˈɔxtənt/ | in de vroege uren van de dag na heden. |
| 665 | orders | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord order. | |
| 666 | tong | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /tɔŋ/ | wat de vorm van een tong (1) heeft, bijvoorbeeld een landtong of de tong van een schoen. |
| 667 | vanmiddag | Bijwoord | /vɑˈmɪdɑx/ | tijdens de middag van de lopende dag. |
| 668 | redt | Werkwoord | /rɛt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van redden. |
| 669 | ruil | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /rœy̯l/ | een uitwisseling van goederen. |
| 670 | verklaren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈklaː.rə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 671 | lieg | Werkwoord | /lix/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van liegen. |
| 672 | kim | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel | /kɪm/ | de rand van een scheepsromp die de overgang vormt van de bodem naar de boorden of, bij ronde rompvormen, het overgangsge… |
| 673 | sync | Werkwoord | /sɪŋk/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van syncen. |
| 674 | leert | Werkwoord | /leːrt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leren. |
| 675 | tegelijk | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /təɣəˈlɛɪk/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 676 | marine | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /maːˈri.nə/ | strijdmacht die voor oorlogvoering op zee kan worden ingezet, zeemacht. |
| 677 | Champagne | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌʃɑmˈpɑn.jə/ | een witte of rosé schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk, die in het bijzonder bij feestelijke aangelegenheden w… |
| 678 | liefste | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de overtreffende trap van lief. | |
| 679 | genade | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈnaːdə/ | de onverdiende gunst of gave van God die de mens verheft en doet deelnemen aan het goddelijk leven. |
| 680 | chauffeur | Zelfstandig naamwoord | /ʃoːˈføːr/ | de bestuurder van een motorvoertuig (ook ). |
| 681 | wensen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈʋɛn.sən/ | op iets hopen voor iemand, toewensen. |
| 682 | verdien | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verdienen. | |
| 683 | godverdomme | Tussenwerpsel | /ˌɣɔt.vərˈdɔ.mə/ | een grove vloek die grote boosheid en/of sterke verontwaardiging uitdrukt. |
| 684 | eenzaam | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈeːn.zaːm/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 685 | wegens | Zelfstandig naamwoord, Voorzetsel | /ˈʋeːɣə(n)s/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 686 | voorstel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈvoːr.stɛl/ | het voorste stuk of gedeelte van iets (net als voordeel). |
| 687 | gouverneur | Zelfstandig naamwoord | /ˌɣu.vərˈnøːr/ | het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid. |
| 688 | graven | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɣraː.və(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord graaf. |
| 689 | terrein | Zelfstandig naamwoord | /tɛˈrɛi̯n/ | een onderwerp waarmee men zich bezighoudt. |
| 690 | ontmoeting | Zelfstandig naamwoord | /ˌɔntˈmu.tɪŋ/ | het in contact komen met elkaar; de keer dat men contact heeft met elkaar. |
| 691 | telt | Werkwoord | /tɛlt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tellen. |
| 692 | handel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijwoord | /ˈɦɑn.dəl/ | winkel, onderneming die goederen koopt om ze met winst te verkopen. |
| 693 | zwijgen | Werkwoord | /ˈzʋɛi̯.ɣə(n)/ | ervan afzien te spreken. |
| 694 | ademen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈaːdəmə(n)/ | lucht door je mond naar binnen en naar buiten laten gaan respirer (ʀɛspiʀe). |
| 695 | koos | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kos/ | jongensnaam. |
| 696 | um | Tussenwerpsel | um (expressing hesitation). | |
| 697 | horloge | Zelfstandig naamwoord | /ɦɔrˈloː.ʒə/ | een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen. |
| 698 | staten | Zelfstandig naamwoord | /ˈstatə(n)/ | gewestelijke standenvergadering (volksvertegenwoordiging), oorspronkelijk bestaande uit de drie standen: adel, geestelij… |
| 699 | ronde | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈrɔndə/ | een afgebakend onderdeel van een groter geheel. |
| 700 | daarover | Bijwoord | /ˌdaːrˈoː.vər/ | over dat, over die. |
| 701 | verloofde | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈloːf.də/ | iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden. |
| 702 | pot | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /pɔt/ | cilindervormig voorwerp van glas of aardewerk dat meestal dient om iets te bewaren (verpakking). |
| 703 | donkere | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van donker. | |
| 704 | afspraakje | Zelfstandig naamwoord | /ˈɑfsprakjə/ | alleen verkleinwoord belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten. |
| 705 | pensioen | Zelfstandig naamwoord | /pɛnˈʃun/ | loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt. |
| 706 | vrolijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈvroːˌlək/ | in een opgewekte stemming; blijheid oproepend of uitstralend. |
| 707 | poort | Zelfstandig naamwoord | /poːrt/ | logische poort: een elektrische schakeling die werkt volgens de Booleaanse Logica. |
| 708 | hoefde | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van hoeven. | |
| 709 | gunst | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ɣʏnst/ | vrijwillig iemand ter wille te zijn door het verlenen van een dienst of goed, zonder dat de ontvanger er recht op heeft… |
| 710 | artikel | Zelfstandig naamwoord | /ɑrˈtikəl/ | product in een winkel article (aʀtikl) mannelijk artikelen voor sport en vrije tijd articles de sport et de loisirs kant… |
| 711 | overval | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈoː.vərˌvɑl/ | poging tot de overname van een bedrijf tegen de zin van de bestuurders daarvan. |
| 712 | belangrijker | Bijvoeglijk naamwoord | onverbogen vorm van de vergrotende trap van belangrijk. | |
| 713 | netjes | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel | /ˈnɛ.tjəs/ | verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord net. |
| 714 | knieën | Zelfstandig naamwoord | /ˈkni.ə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord knie. |
| 715 | slimme | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van slim. | |
| 716 | aanraken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈaːnraːkə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 717 | reputatie | Zelfstandig naamwoord | /reː.pyˈtaː.tsi/ | de manier waarop iemand bekend is. |
| 718 | ontdekte | Werkwoord | verbogen vorm van ontdekt, voltooid deelwoord van ontdekken. | |
| 719 | ruik | Werkwoord | /rœy̯k/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruiken. |
| 720 | brood | Zelfstandig naamwoord | /broːt/ | een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen. |
| 721 | partij | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Lidwoord | /pɑrˈtɛi̯/ | vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen proberen te verwezenlijken. |
| 722 | verstoppen | Werkwoord | /vərˈstɔ.pə(n)/ | iets ~: iets stoppen waar het niet gemakkelijk gevonden zal worden. |
| 723 | komst | Zelfstandig naamwoord | /kɔmst/ | het feit dat iemand of iets komt. |
| 724 | verdieping | Zelfstandig naamwoord | /vərˈdi.pɪŋ/ | alle ruimten op één hoogte in een gebouw. |
| 725 | dief | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /dif/ | bandiet, boef, schelm, schurk. |
| 726 | voorbeeld | Zelfstandig naamwoord | /ˈvoːrbeːlt/ | iets dat bestaat of kan bestaan, als uitleg bij een abstracte uitleg. |
| 727 | geur | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣøːr/ | gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming. |
| 728 | dichter | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈdɪx.tər/ | iemand die poëtische kunst voortbrengt. |
| 729 | vliegveld | Zelfstandig naamwoord | /ˈvliːxfɛlt/ | een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen. |
| 730 | markt | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /mɑrkt/ | het geheel van omstandigheden waaronder gevraagde en aangeboden hoeveelheden van een bepaald product of een bepaalde die… |
| 731 | centrum | Zelfstandig naamwoord | /ˈsɛn.trʏm/ | plaats waar bepaalde activiteiten geconcentreerd zijn. |
| 732 | volgde | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van volgen. | |
| 733 | ontzettend | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | (Zelfstandig naamwoord). | |
| 734 | beer | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /beːr/ | gemetselde dam in een vestinggracht die het water in de gracht scheidt van zout of sterk stromend water van de zee, meer… |
| 735 | alibi | Zelfstandig naamwoord | /ˈaː.liˌbi/ | het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad, waardoor men uitgesloten kan worden… |
| 736 | terugkomt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van terugkomen. | |
| 737 | brieven | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbrivə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord brief. |
| 738 | minstens | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˈmɪnstə(n)s/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 739 | whisky | Zelfstandig naamwoord | /ˈʋɪski/ | een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is. |
| 740 | onschuldige | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɔnˈsxʏl.də.ɣə/ | verbogen vorm van de stellende trap van onschuldig. |
| 741 | stenen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈsteːnə(n)/ | gemaakt van steen. |
| 742 | universum | Zelfstandig naamwoord | /ˌy.niˈvɛr.zʏm/ | gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie. |
| 743 | gezondheid | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ɣəˈzɔntˌɦɛi̯t/ | welbevinden, in goede staat zijn. |
| 744 | daarheen | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /daːrˈɦeːn/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 745 | wijze | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | bij wijze van: als. | |
| 746 | britse | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | een vrouwelijke inwoner van Verenigd Koninkrijk, of een vrouw afkomstig uit Verenigd Koninkrijk. | |
| 747 | b | Zelfstandig naamwoord, Uitdrukking | /beː/ | de twaalfde toon van de chromatische, en de zevende toon van de diatonische toonladder. |
| 748 | komende | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van komend, het onvoltooid deelwoord van komen. | |
| 749 | haven | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɦaːvə(n)/ | natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen. |
| 750 | huur | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɦyr/ | het tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling. |
| 751 | plicht | Zelfstandig naamwoord | /plɪxt/ | een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen, iets wat je moet doen. |
| 752 | assistent | Zelfstandig naamwoord | /ˌɑ.siˈstɛnt/ | iemand die een ander in diens taak ondersteunt. |
| 753 | omgaan | Werkwoord | /ˈɔmˌɣaːn/ | passeren door een route rond iets of iemand te volgen. |
| 754 | fan | Zelfstandig naamwoord | /fɑn/ | een enthousiaste aanhanger. |
| 755 | materiaal | Zelfstandig naamwoord | /ˌmaː.teː.riˈaːl/ | geheel van zaken die men voor een bepaald doel nodig heeft, benodigdheden. |
| 756 | hartelijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈɦɑrtələk/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 757 | online | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ɔnˈlɑi̯n/ | online (on, via or connected to the Internet or another network). |
| 758 | onszelf | Voornaamwoord | eerste persoon meervoud, versterkte vorm van ons. | |
| 759 | stelde | Werkwoord | /ˈstɛldə/ | enkelvoud verleden tijd van stellen. |
| 760 | shirt | Zelfstandig naamwoord | /ʃʏrt/ | een hemdachtig kledingstuk voor het bovenlijf dat soms de armen deels ontbloot laat. |
| 761 | bevelen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈveːlə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord bevel. |
| 762 | vergat | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van vergeten. | |
| 763 | priester | Zelfstandig naamwoord | /ˈpris.tər/ | iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt. |
| 764 | meent | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /meːnt/ | weidegrond in gemeenschappelijk bezit. |
| 765 | zelfde | Voornaamwoord, Lidwoord | /ˈzɛlf.də/ | like, alike. |
| 766 | dossiers | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord dossier. | |
| 767 | proost | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel | /proːst/ | heildronk, dronk op iemands gezondheid. |
| 768 | kloppen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈklɔ.pə(n)/ | door slaan in een bepaalde toestand brengen. |
| 769 | gekend | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈkɛnt/ | voltooid deelwoord van kennen. |
| 770 | vierde | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈvirdə/ | one in four parts, a quarter. |
| 771 | kaas | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kaːs/ | hoeveelheid kaas in de vorm waarin die gewoonlijk gemaakt of verhandeld wordt. |
| 772 | opzoeken | Werkwoord | zoeken op een plaats waar je denkt dat je het kunt vinden chercher een vertaling opzoeken in het woordenboek chercher un… | |
| 773 | schrikken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsxrɪkə(n)/ | een achterwaartse beweging in de lengterichting maken. |
| 774 | gepleegd | Werkwoord | voltooid deelwoord van plegen. | |
| 775 | daarin | Bijwoord | /daːrˈɪn/ | aanwijzend (ver af) in+dat, in+die:. |
| 776 | optreden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɔptredə(n)/ | voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin. |
| 777 | april | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɑˈprɪl/ | vierde maand van het jaar. |
| 778 | veilige | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈvɛi̯.lə.ɣə/ | verbogen vorm van de stellende trap van veilig. |
| 779 | beroep | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈrup/ | in hoger beroep gaan: verzoek bij een hogere rechtsinstantie om herziening van een vonnis of beschikking (een rechtsmidd… |
| 780 | motief | Zelfstandig naamwoord | /moːˈtif/ | onderwerp dat in een verhaal etc. wordt uitgediept, leidmotief. |
| 781 | betaalde | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van betaald, voltooid deelwoord van betalen. | |
| 782 | verderop | Bijwoord | /ˌvɛrdəˈrɔp/ | op een zekere afstand van de genoemde plaats. |
| 783 | jacht | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /jɑxt/ | / het achtervolgen van wilde dieren met als doel ze te doden en op te eten. |
| 784 | scheiden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsxɛi̯.də(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 785 | jeugd | Zelfstandig naamwoord | /ˈjøːxt/ | de tijd van iemands leven dat iemand nog jong is. |
| 786 | lokale | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van lokaal. | |
| 787 | engel | Zelfstandig naamwoord | /ˈɛŋəl/ | geestelijk hemels wezen dat God dient en bemiddelt tussen God en mens. |
| 788 | kerstman | Zelfstandig naamwoord | /ˈkɛrst.mɑn/ | sprookjesfiguur die tijdens kerst volgens de meest bekende traditie cadeaus uitdeelt. |
| 789 | doei | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /dui̯/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 790 | toestand | Zelfstandig naamwoord | /ˈtu.stɑnt/ | de informatie die men over een systeem moet hebben om het gedrag ervan te kunnen bepalen. |
| 791 | technologie | Zelfstandig naamwoord | /ˌtɛx.noː.loːˈɣi/ | een bepaalde systematische en praktische toepassing van wetenschappelijke kennis. |
| 792 | gebaseerd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəbaˈsert/ | voltooid deelwoord van baseren. |
| 793 | lichten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈlɪx.tən/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord licht. |
| 794 | mars | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /mɑrs/ | regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten en bij plechtigheden. |
| 795 | bovendien | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˌboː.və(n)ˈdin/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 796 | cijfers | Zelfstandig naamwoord | /ˈsɛifərs/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord cijfer. |
| 797 | bewaren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈʋaːrə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 798 | belofte | Zelfstandig naamwoord | /bəˈlɔf.tə/ | een mondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft. |
| 799 | vertaald | Werkwoord | /vərˈtalt/ | voltooid deelwoord van vertalen. |
| 800 | teleurgesteld | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /təˈlørɣəˌstɛlt/ | een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is. |
| 801 | vriendschap | Zelfstandig naamwoord | /ˈvrint.sxɑp/ | gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd oo… |
| 802 | medelijden | Zelfstandig naamwoord | /ˈmeː.dəˌlɛi̯.də(n)/ | verdriet over het leed van anderen. |
| 803 | ramp | Zelfstandig naamwoord | /rɑmp/ | een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen. |
| 804 | ren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /rɛn/ | een snelheidsproef op de weg of in het terrein. |
| 805 | verzet | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈzɛt/ | de van de stand van de versnellingen afhangende afstand in meters (verplaatsing) die wordt afgelegd als de pedalen van e… |
| 806 | richten | Werkwoord | /ˈrɪxtə(n)/ | zich ~ op: een bepaald doel nastreven. |
| 807 | steunen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈstøː.nə(n)/ | van vermoeidheid of pijn een kreunend geluid maken. |
| 808 | wolf | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ʋɔlf/ | sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem (tussen rechte klimming 14ᵘ13ᵐ en 16ᵘ05ᵐ en tussen declinatie −55° en −33°). |
| 809 | advocaten | Zelfstandig naamwoord | /ˌɑtfoˈkatə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord advocaat. |
| 810 | dwars | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /dʋɑrs/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 811 | oefenen | Werkwoord | /ˈufənə(n)/ | proberen zonder fouten uit te voeren, leren door te doen. |
| 812 | bezwaar | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈzʋaːr/ | moeilijkheid, nadeel. |
| 813 | bevestigen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈvɛstəɣə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 814 | wijzen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈʋɛi̯zə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord wijs. |
| 815 | nachtmerrie | Zelfstandig naamwoord | /ˈnɑxtˌmɛ.ri/ | een zeer angstige droom, angstdroom. |
| 816 | groen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣrun/ | kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd; secundaire kleur, in het spectrum gelegen t… |
| 817 | minst | Bijvoeglijk naamwoord | /mɪnst/ | overtreffende trap van weinig: het geringst in aantal of hoeveelheid. |
| 818 | eindigt | Werkwoord | /ˈɛindəxt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eindigen. |
| 819 | verkoopt | Werkwoord | /vər.ˈkoːpt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkopen. |
| 820 | zwembad | Zelfstandig naamwoord | /ˈzʋɛm.bɑt/ | een inrichting om te zwemmen. |
| 821 | verdriet | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈdrit/ | een gevoel van droefheid. |
| 822 | winter | Zelfstandig naamwoord | /ˈʋɪn.tər/ | het vierde van de vier seizoenen: op het noordelijk halfrond van 21 december tot 20 maart, op het zuidelijk halfrond van… |
| 823 | afgesloten | Werkwoord | /'ɑf.xə.slo.tə(n)/ | voltooid deelwoord van afsluiten. |
| 824 | geheel | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ɣəˈhel/ | compleet, volkomen. |
| 825 | min | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel | /mɪn/ | vrouw die tegen betaling het kind van een andere vrouw zoogt. |
| 826 | verwijderd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | voltooid deelwoord van verwijderen. | |
| 827 | donder | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈdɔn.dər/ | het menselijk lichaam (voornamelijk in op zijn ~ krijgen). |
| 828 | mobiel | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /moːˈbil/ | kunstwerk dat door trillingen of luchtstromingen in beweging blijft, vaak doordat de samenstellende delen zo zijn verbon… |
| 829 | okee | Bijvoeglijk naamwoord | /oˈkejə/ | verbogen vorm van de stellende trap van oké. |
| 830 | interesseert | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van interesseren. | |
| 831 | leden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈledən/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord lid. |
| 832 | gooide | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van gooien. | |
| 833 | muren | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord muur. | |
| 834 | koers | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kurs/ | ontwikkeling van de waarde van verhandelbare waardepapieren als obligaties, aandelen en opties. |
| 835 | nat | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /nɑt/ | gedrenkt in een vloeistof, meestal water. |
| 836 | bekende | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /bəˈkɛndə/ | een persoon waarvan je weet wie het is. |
| 837 | waarheen | Bijwoord | /ʋaːrˈɦeːn/ | betrekkelijk: in welke richting. |
| 838 | hierin | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˈhirɪn/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 839 | uniform | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈy.niˌfɔrm/ | gelijke, vaak voorgeschreven, kleding. |
| 840 | voorbereid | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorbereiden. | |
| 841 | wild | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ʋɪlt/ | dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid. |
| 842 | regen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈreː.ɣə(n)/ | neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp. |
| 843 | drinkt | Werkwoord | /drɪŋkt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drinken. |
| 844 | studenten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord student. | |
| 845 | bepalen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈpaːlə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 846 | briefje | Zelfstandig naamwoord | /ˈbrifjə/ | verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord brief. |
| 847 | fuck | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel | /fʏk/ | An act of sexual intercourse. |
| 848 | berichten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈrɪxtə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord bericht. |
| 849 | gok | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣɔk/ | een keuze zonder het juiste antwoord te weten. |
| 850 | voldoende | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voornaamwoord, Lidwoord | /vɔlˈdun.də/ | een beoordeling die aangeeft dat een test gehaald is of voldoende kennis is getoond. |
| 851 | samenwerken | Werkwoord | ~ met met een of meer aan hetzelfde werken. | |
| 852 | lekkere | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van lekker. | |
| 853 | ruiken | Werkwoord | /ˈrœy̯.kə(n)/ | ~ naar een bepaalde geur verspreiden die met de neus waargenomen kan worden. |
| 854 | klok | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel | /klɔk/ | een akoustisch waarschuwingsmiddel waarmee men geluidssignalen aan de bevolking kan geven. |
| 855 | gemeenschap | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈmeːnˌsxɑp/ | geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan. |
| 856 | redelijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈreːdələk/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 857 | wezens | Zelfstandig naamwoord | /ˈʋeːzə(n)s/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord wezen. |
| 858 | echter | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voegwoord | /ˈɛx.tər/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 859 | getekend | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈtekənt/ | door tekenen ontstaan. |
| 860 | overwinning | Zelfstandig naamwoord | /ˌoːvərˈʋɪnɪŋ/ | keer dat je wint. |
| 861 | klonk | Werkwoord | /klɔŋk/ | enkelvoud verleden tijd van klinken. |
| 862 | onderwerp | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɔndərˌwɛrᵊp/ | zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft. |
| 863 | verklaart | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verklaren. | |
| 864 | olie | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈoː.li/ | benaming voor uiteenlopende soorten vettige vloeistoffen die niet of nauwelijks met water mengen. |
| 865 | bewust | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /bəˈʋʏst/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 866 | bemanning | Zelfstandig naamwoord | /bəˈmɑ.nɪŋ/ | de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten. |
| 867 | tellen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtɛ.lə(n)/ | getallen oplopend opnoemen. |
| 868 | degenen | Voornaamwoord | als antecedent van een beperkende bijzin; de personen. | |
| 869 | overkomt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overkomen. | |
| 870 | vertrouwt | Werkwoord | /vərˈtrɑut/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vertrouwen. |
| 871 | hang | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɦɑŋ/ | rond, metalen slaginstrument dat met de handen bespeeld wordt. |
| 872 | schoten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsxotə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord schoot. |
| 873 | seconde | Zelfstandig naamwoord | /ˌsəˈkɔn.də/ | een interval met een toonafstand zoals die van de eerste naar de tweede toon van een diatonische toonladder. |
| 874 | geldt | Werkwoord | /ɣɛlt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelden. |
| 875 | delict | Zelfstandig naamwoord | /dəˈlɪkt/ | een gedraging die bij de wet verboden is zowel de ernstige misdaden als de minder ernstige overtredingen. |
| 876 | groeten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɣrutə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord groet. |
| 877 | maag | Zelfstandig naamwoord | /maːx/ | de organen van het maag-darmstelsel die in de buik zijn gelegen. |
| 878 | beantwoorden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈɑntʋoːrdə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 879 | allerlei | Voornaamwoord, Lidwoord | /ˌɑ.lərˈlɛi̯/ | all kinds of. |
| 880 | wandelen | Werkwoord | /ˈʋɑn.də.lə(n)/ | ongericht een wandeling maken. |
| 881 | waarschuwing | Zelfstandig naamwoord | /ˈʋaːrˌsxyu̯.ɪŋ/ | een mededeling dat er onaangename of gevaarlijke gevolgen op til zijn. |
| 882 | gewaarschuwd | Werkwoord | /ɣəˈʋaːrsxyu̯t/ | voltooid deelwoord van waarschuwen. |
| 883 | begreep | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van begrijpen. | |
| 884 | kist | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kɪst/ | grote bak van hout of ander materiaal caisse vrouwelijk een kist appels une caisse de pommes gereedschapskist boîte/cais… |
| 885 | middelbare | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌmɪ.dəlˈbaː.rə/ | ellipsis of middelbare school (“secondary school”). |
| 886 | jay | Zelfstandig naamwoord | jongensnaam. | |
| 887 | training | Zelfstandig naamwoord | /ˈtreː.nɪŋ/ | opleiding in een vaardigheid. |
| 888 | pik | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /pɪk/ | geslachtsdeel van de man, penis. |
| 889 | race | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /reːs/ | wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen. |
| 890 | geliefde | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈlif.də/ | een persoon waarmee men een liefdesrelatie onderhoudt. |
| 891 | nationale | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van nationaal. | |
| 892 | gedeelte | Zelfstandig naamwoord | minder dan het geheel. | |
| 893 | wassen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /'ʋɑsə(n)/ | groeien, stijgen, voornamelijk i.v.m. de maan of een waterloop. |
| 894 | verwachtte | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van verwachten. | |
| 895 | scheelt | Werkwoord | /sxeːlt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schelen. |
| 896 | ophangen | Werkwoord | /ˈɔpˌɦɑ.ŋə(n)/ | iets in een hangende positie bevestigen. |
| 897 | douche | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /duʃ/ | bad [1] in de vorm van een neerwaartse waterstraal die op het lichaam belandt. |
| 898 | reageren | Werkwoord | /ˌreːjaːˈɣeːrə(n)/ | ~ met: bij samenvoeging een chemisch proces van verandering ondergaan. |
| 899 | zwijg | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwijgen. | |
| 900 | alcohol | Zelfstandig naamwoord | /ˈɑl.koːˌɦɔl/ | elk van de verbindingen uit een groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn door de aanwezigheid van een -O-H-verbinding. |
| 901 | stoor | Werkwoord | /stoːr/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van storen. |
| 902 | verdiende | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van verdiend, voltooid deelwoord van verdienen. | |
| 903 | gave | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɣaːvə/ | een geschenk van God, van een godheid. |
| 904 | sprong | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /sprɔŋ/ | een afwijking van de normale volgorde waarbij een aantal tussenliggende zaken overgeslagen worden. |
| 905 | bewakers | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord bewaker. | |
| 906 | aangenomen | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voegwoord | /ˈaŋɣəˌnomə(n)/ | voltooid deelwoord van aannemen. |
| 907 | model | Zelfstandig naamwoord | /moːˈdɛl/ | : wiskundige uitdrukking die met behulp van aan te passen grootheden de waargenomen gegevens tracht te verklaren. |
| 908 | data | Zelfstandig naamwoord | /ˈdaːtaː/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord datum. |
| 909 | oor | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /oːr/ | oude Nederlandse munt ter waarde van een kwart stuiver ofwel twee duiten. |
| 910 | jeetje | Tussenwerpsel | /ˈjecə/ | uitdrukking van milde ontsteltenis en verbazing. |
| 911 | spelletjes | Zelfstandig naamwoord | verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord spel. | |
| 912 | noch | Voegwoord | /nɔx/ | en (ook) niet. |
| 913 | wedden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈwɛdə(n)/ | geld inzetten op een toekomstige gebeurtenis. |
| 914 | meedoen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈmedun/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 915 | winst | Zelfstandig naamwoord | /ʋɪnst/ | het verschil tussen de verkoopsprijs en alle kosten die men heeft gemaakt. |
| 916 | gereed | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈreːt/ | als predicaat: voor gebruik klaar gemaakt. |
| 917 | middag | Zelfstandig naamwoord | /ˈmɪ.dɑx/ | het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur; namiddag. |
| 918 | lijf | Zelfstandig naamwoord | /lɛi̯f/ | het menselijk lichaam. |
| 919 | donna | Zelfstandig naamwoord | /ˈdɔna/ | respectvolle aanduiding voor een vrouw. |
| 920 | onthouden | Werkwoord | /ˌɔntˈɦɑu̯.də(n)/ | zich ~: bewust iets niet doen of van iets afzien, hoewel er een wens of behoefte naar is. |
| 921 | daarop | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /daːrˈɔp/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 922 | identiteit | Zelfstandig naamwoord | /ˌidɛntiˈtɛit/ | geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent. |
| 923 | crimineel | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌkri.miˈneːl/ | iemand die de wet breekt. |
| 924 | openbaar | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌopə(n)ˈbar/ | vrij toegankelijk. |
| 925 | verpesten | Werkwoord | /vərˈpɛstə(n)/ | ervoor zorgen dat iets niet leuk meer is. |
| 926 | moordenaars | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord moordenaar. | |
| 927 | bewaker | Zelfstandig naamwoord | /bəˈʋaː.kər/ | een persoon die ervoor zorgt dat gevangenen niet ontsnappen, cipier, gevangenbewaarder. |
| 928 | beloofde | Werkwoord | verbogen vorm van beloofd, voltooid deelwoord van beloven. | |
| 929 | gods | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ɣɔts/ | genitief van God. |
| 930 | zowel | Bijwoord, Voegwoord | /zoːˈʋɛl/ | both, as well as. |
| 931 | media | Zelfstandig naamwoord | /ˈmedija/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord medium. |
| 932 | Letten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈlɛtə(n)/ | meervoud verleden tijd van letten. |
| 933 | breekt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van breken. | |
| 934 | sprake | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈspraː.kə/ | datief vrouwelijk van spraak. |
| 935 | kansen | Zelfstandig naamwoord | /ˈkɑnsə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord kans. |
| 936 | explosie | Zelfstandig naamwoord | /ɛksˈploːzi/ | het barsten van een onder druk staande gastank, of een heftige chemische reactie waarbij plotseling zeer grote gasdruk o… |
| 937 | indrukwekkend | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌɪndrʏkˈʋɛkənt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 938 | plotseling | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈplɔtsəlˌɪŋ/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 939 | schutter | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsxʏtər/ | sterrenbeeld van de dierenriem (tussen rechte klimming 7ᵘ41ᵐ en 20ᵘ25ᵐ en tussen declinatie −45° en −12°). |
| 940 | hekel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈhekəl/ | een werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas. |
| 941 | fort | Zelfstandig naamwoord | /fɔrt/ | groot woonhuis voor meerdere gezinnen tegelijk, vaak begonnen als eengezinswoning. |
| 942 | ingewikkeld | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌɪn.ɣəˈʋɪ.kəlt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 943 | lied | Zelfstandig naamwoord | /liːt/ | muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt, vaak vormgegeven in couplet en refrein. |
| 944 | vriendinnen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord vriendin. | |
| 945 | besef | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈsɛf/ | een reëel bewustzijn, notitie. |
| 946 | spiegel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈspi.ɣəl/ | voorwerp dat licht (en andere soorten elektromagnetische straling) weerkaatst volgens de regel: "hoek van inval = hoek v… |
| 947 | gevochten | Werkwoord | voltooid deelwoord van vechten. | |
| 948 | lege | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈleː.ɣə/ | verbogen vorm van de stellende trap van leeg. |
| 949 | onlangs | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ɔnlaŋs/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 950 | stand | Zelfstandig naamwoord | /stɑnt/ | puntentelling bij een wedstrijd of een aantal cijfers op een paneel (meter). |
| 951 | woestijn | Zelfstandig naamwoord | /ʋusˈtɛi̯n/ | grote dorre vlakte, met weinig neerslag (relatief t.a.v. de daar heersende temperatuur) en weinig vegetatie. |
| 952 | gedwongen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | (Zelfstandig naamwoord). | |
| 953 | idioten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord idioot. | |
| 954 | gezellig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈzɛ.ləx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 955 | lunchen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈlʏn.ʃə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord lunch. |
| 956 | hielden | Werkwoord | /hiɫ.də(n)/ | meervoud verleden tijd van houden. |
| 957 | seizoen | Zelfstandig naamwoord | /sɛi̯ˈzun/ | elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt, en gekenmerkt wordt door astronomische en klimatologische eigen… |
| 958 | resultaten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord resultaat. | |
| 959 | pagina | Zelfstandig naamwoord | /ˈpaːɣinaː/ | bladzijde, zowel met betrekking tot de volgorde als tot het oppervlak. |
| 960 | vlieg | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vlix/ | overige vliegende insecten die niet tot de tweevleugeligen behoren maar wel met die naam worden aangeduid zoals haften e… |
| 961 | bril | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /brɪl/ | voorwerp met glazen op je neus om goed te kunnen zien of ter bescherming paire vrouwelijk de lunettes (pɛʀd(ə)lynɛt) een… |
| 962 | spannend | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈspɑnənt/ | emotionele opwinding veroorzakend. |
| 963 | doodt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doden. | |
| 964 | mensheid | Zelfstandig naamwoord | /ˈmɛns.ɦɛi̯t/ | alle mensen, het menselijk ras humanité vrouwelijk Dit geneesmiddel is een zegen voor de mensheid. Ce médicament est un… |
| 965 | botten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbɔtə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord botte. |
| 966 | busje | Zelfstandig naamwoord | /ˈbʏʃə/ | verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord bus. |
| 967 | herinnering | Zelfstandig naamwoord | /ˌɦɛˈrɪ.nə.rɪŋ/ | het weer in het bewustzijn oproepen van een gebeurtenis van het verleden, het herinneren. |
| 968 | kaartje | Zelfstandig naamwoord | /ˈkarcə/ | papier(tje) of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname. |
| 969 | pop | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /pɔp/ | Persoonlijk Ontwikkelingsplan; een plan waarin de lerende zelf vaststelt wat hij wil leren, hoe hij dat wenst te leren e… |
| 970 | verschuldigd | Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈsxʏl.dəxt/ | verplicht om aan iemand te geven. |
| 971 | gesteld | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈstɛlt/ | voltooid deelwoord van stellen. |
| 972 | hee | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ɦe/ | vijfde letter van het alfabet. |
| 973 | tweeën | Zelfstandig naamwoord | /ˈtwejə(n)/ | datief van twee: bij tijdsaanduidingen na voorzetsels. |
| 974 | zielig | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈzi.ləx/ | aanstellerig, belachelijk, idioot bn. |
| 975 | my | Voornaamwoord | /mɛi̯/ | obsolete spelling of mij. |
| 976 | hal | Zelfstandig naamwoord | /ɦɑl/ | hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst. |
| 977 | letterlijk | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈlɛ.tər.lək/ | literally. |
| 978 | banden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | meervoud verleden tijd van bannen. | |
| 979 | route | Zelfstandig naamwoord | /ˈru.tə/ | weg naar de plaats waar je naartoe wilt itinéraire mannelijk de kortste route naar het station le chemin le plus court p… |
| 980 | vliegt | Werkwoord | /vlixt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vliegen. |
| 981 | walgelijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈʋɑlɣələk/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 982 | gegooid | Werkwoord | /ɣəˈ.ɣoːi̯t/ | voltooid deelwoord van gooien. |
| 983 | smerig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈsmɛrəx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 984 | verwijderen | Werkwoord | /vərˈʋɛi̯.də.rə(n)/ | zich ~ van: afstand scheppen tot iets. |
| 985 | uitzien | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈœy̯tsin/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 986 | beweegt | Werkwoord | /bəˈwext/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bewegen. |
| 987 | hierover | Bijwoord | over dit, over deze. | |
| 988 | mannetje | Zelfstandig naamwoord | /ˈmɑ.nə.tjə/ | iemand van het mannelijk geslacht die tegen betaling klusjes verricht. |
| 989 | genie | Zelfstandig naamwoord | /ʒeːˈni/ | iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is. |
| 990 | burger | Zelfstandig naamwoord | /ˈbʏr.ɣər/ | in twee helften gesneden broodje met daartussen een schijf gebakken of gegrild rundergehakt of iets vergelijkbaars, met… |
| 991 | bedreiging | Zelfstandig naamwoord | /bəˈdrɛi̯.ɣɪŋ/ | een mogelijk gevaar. |
| 992 | lef | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /lɛf/ | durf, branie, moed. |
| 993 | vlakbij | Bijwoord, Voorzetsel | /vlɑɡˈbɛi/ | in de directe nabijheid. |
| 994 | gevolgen | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈvɔl.ɣə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord gevolg. |
| 995 | gedag | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈdɑx/ | ~ zeggen iemand begroeten of afscheid van iemand nemen. |
| 996 | ontslaan | Werkwoord | /ˌɔntˈslaːn/ | de arbeidsovereenkomst beëindigen van, meestal wegens onbekwaamheid of wangedrag van de werknemer. |
| 997 | nummers | Zelfstandig naamwoord | /ˈnʏmərs/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord nummer. |
| 998 | verzamelen | Werkwoord | /vərˈzaː.mə.lə(n)/ | bij elkaar brengen; aan een voorraad toevoegen. |
| 999 | jongeman | Zelfstandig naamwoord | een jeugdig persoon van het mannelijk geslacht. | |
| 1000 | huiswerk | Zelfstandig naamwoord | /ˈɦœy̯s.ʋɛrk/ | schoolwerk dat thuis verricht moet worden. |
| 1001 | house | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɦɑu̯s/ | housemuziek. |
| 1002 | koude | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈkɑu̯də/ | het koud zijn. |
| 1003 | verontschuldigen | Werkwoord | /vərˌɔntˈsxʏldəɣə(n)/ | spijt betuigend meedelen dat men niet kan komen of juist weg moet gaan. |
| 1004 | gevaarlijke | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van gevaarlijk. | |
| 1005 | lelijk | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈleː.lək/ | onprettig om naar te kijken, niet mooi. |
| 1006 | verbaasd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | zeer verwonderd. | |
| 1007 | vuil | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vœy̯l/ | viezigheid, onreine materie. |
| 1008 | ondertussen | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˌɔn.dərˈtʏ.sə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1009 | gelukkige | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van gelukkig. | |
| 1010 | leest | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /leːst/ | een houten of metalen vorm waarop een schoen vervaardigd of gerepareerd wordt. |
| 1011 | at | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɑt/ | enkelvoud tegenwoordige tijd van atten. |
| 1012 | verplaatsen | Werkwoord | /vərˈplaːt.sə(n)/ | iets van de ene plaats naar de andere brengen. |
| 1013 | starten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈstɑrtə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1014 | gerechtigheid | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈrɛx.təx.ɦɛi̯t/ | het handelen of behandeld worden volgens bepaalde normen aangaande wat recht en eerlijk is. |
| 1015 | onderdeel | Zelfstandig naamwoord | /ˈɔndərdeːl/ | een (gespecialiseerd) deel (component) van een groter geheel. |
| 1016 | wijst | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /wɛist/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijzen. |
| 1017 | scheiding | Zelfstandig naamwoord | /ˈsxɛi̯.dɪŋ/ | de lijn aan weerszijden waarvan haar naar de ene of de andere kant valt, de haarscheiding. |
| 1018 | welnee | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ʋɛlˈneː/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1019 | partners | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord partner. | |
| 1020 | hoogste | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de overtreffende trap van hoog. | |
| 1021 | snijden | Werkwoord | /ˈsnɛi̯də(n)/ | de tegenstander een hoge kaart, gewoonlijk de koning, uit handen spelen. |
| 1022 | soorten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord soort. | |
| 1023 | touw | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /tɑu̯/ | een middel om zaken bij elkaar te binden. |
| 1024 | zijde | Zelfstandig naamwoord | /ˈzɛi̯.də/ | grenslijn van een tweedimensionale figuur of het grensvlak van een lichaam. |
| 1025 | ellende | Zelfstandig naamwoord | /ˌɛˈlɛn.də/ | beklagenswaardige (armoedige enz.) omstandigheden die zorgen voor lijden en verdriet. |
| 1026 | nep | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /nɛp/ | uitjes die alleen nog geschikt zijn om in te maken. |
| 1027 | joden | Zelfstandig naamwoord | /ˈjodə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord Jood. |
| 1028 | klagen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈklaːɣə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1029 | zacht | Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /zɑxt/ | gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen. |
| 1030 | aap | Zelfstandig naamwoord | /aːp/ | min of meer vierkant zeil dat op oude zeilschepen gebruikt werd om meer zeil bij te zetten. |
| 1031 | won | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /wɔn/ | enkelvoud verleden tijd van winnen. |
| 1032 | dringend | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈdrɪ.ŋənt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1033 | teruggaan | Werkwoord | /təˈrʏxaːn/ | naar het punt van vertrek gaan. |
| 1034 | eisen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɛi̯sə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord eis. |
| 1035 | veroordeeld | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | condemned. | |
| 1036 | neerschieten | Werkwoord | /ˈneːrˌsxi.tə(n)/ | door te schieten op de grond doen belanden. |
| 1037 | vloek | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vluk/ | godslasterende uiting als iemand schrikt, zich bezeert of heel ontevreden is. |
| 1038 | stijl | Zelfstandig naamwoord | /stɛi̯l/ | buisvormige, middelste gedeelte van de stamper. |
| 1039 | smeek | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smeken. | |
| 1040 | rand | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /rɑnt/ | afvalmateriaal, overgebleven aan de zijkant van de strook, om een of meer uitgesneden producten heen. |
| 1041 | verrader | Zelfstandig naamwoord | /vəˈraːdər/ | iemand die verraad pleegt. |
| 1042 | tel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /tɛl/ | ruïneheuvel, gevormd door opeenvolgende lagen van bewoning. |
| 1043 | romantisch | Bijvoeglijk naamwoord | /roːˈmɑntis/ | met betrekking tot de hofmakerij. |
| 1044 | zorgde | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van zorgen. | |
| 1045 | stelletje | Zelfstandig naamwoord | verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord stel. | |
| 1046 | hersens | Zelfstandig naamwoord | /ˈɦɛr.səns/ | waarnemend, aansturend, controlerend en informatieverwerkend orgaan in dieren. |
| 1047 | verdwijnt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verdwijnen. | |
| 1048 | middelen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈmɪdələ(n)/ | het gemiddelde nemen van een reeks getallen. |
| 1049 | roept | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roepen. | |
| 1050 | leveren | Werkwoord | /ˈleː.və.rə(n)/ | iemand iets ~ iemand iets vervelends aandoen. |
| 1051 | dekking | Zelfstandig naamwoord | /ˈdɛ.kɪŋ/ | een gebeurtenis valt onder de dekking van een verzekering als de verzekeringsmaatschappij geld moet uitkeren als die geb… |
| 1052 | onthoud | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onthouden. | |
| 1053 | politieke | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van politiek. | |
| 1054 | cheque | Zelfstandig naamwoord | /ʃɛk/ | schriftelijke betalingsopdracht waardoor een bedrag via de bank wordt overgeschreven of uitbetaald. |
| 1055 | schaduw | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsxaː.dyu̯/ | bepaald archetype in de jungiaanse psychologie, een onbewust aspect van de persoonlijkheid. |
| 1056 | kasteel | Zelfstandig naamwoord | /kɑˈsteːl/ | middeleeuwse versterkte woning. |
| 1057 | lagen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈlaɣə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord laag. |
| 1058 | dertig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈdɛr.təx/ | dat wat in een (rang)ordening met 30 is aangeduid. |
| 1059 | branden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbrɑndə(n)/ | langzaam aan vuur blootstellen (van cacao- en koffiebonen, noten, e.d.). |
| 1060 | leidde | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van leiden. | |
| 1061 | resultaat | Zelfstandig naamwoord | /reː.zʏlˈtaːt/ | een uitkomst. |
| 1062 | aangekomen | Werkwoord | /ˈaŋɣəˌkomə(n)/ | voltooid deelwoord van aankomen. |
| 1063 | constant | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /kɔnˈstɑnt/ | jongensnaam. |
| 1064 | waarbij | Bijwoord | betrekkelijk: bij wat, bij hetwelk. | |
| 1065 | wanhopig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌʋɑnˈɦoː.pəx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1066 | verkracht | Werkwoord | /vər.ˈkrɑxt/ | enkelvoud tegenwoordige tijd van verkrachten. |
| 1067 | winnaar | Zelfstandig naamwoord | /ˈʋɪ.naːr/ | degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist. |
| 1068 | waardeloos | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈʋardəˌlos/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1069 | merken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈmɛrkə(n)/ | iets waarnemen of herkennen, gewaarworden. |
| 1070 | doctor | Zelfstandig naamwoord | /ˈdɔk.tɔr/ | een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven. |
| 1071 | ongerust | Bijvoeglijk naamwoord | bezorgd dat iemand iets zal overkomen. | |
| 1072 | snelle | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van snel. | |
| 1073 | slet | Zelfstandig naamwoord | /slɛt/ | een vrouw die met vele mannen verkeert. |
| 1074 | fiets | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /fits/ | vervoermiddel waarvan je de wielen via een kettingsysteem aan het draaien brengt door op pedalen te trappen vélo manneli… |
| 1075 | vocht | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vɔxt/ | water dat iets doordrenkt of als damp aanwezig is. |
| 1076 | opruimen | Werkwoord | /ˈɔpˌrœy̯.mə(n)/ | iemand uit het publieke zicht laten verdwijnen, al dan niet door diegene van het leven te beroven. |
| 1077 | daaraan | Bijwoord | /daːrˈaːn/ | aan dat, aan die. |
| 1078 | gsm | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣeː.ɛsˈɛm/ | verouderde spelling of vorm van gsm tot 2015. |
| 1079 | gewild | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈʋɪlt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1080 | overeenkomst | Zelfstandig naamwoord | /ˌoː.vərˈeːn.kɔmst/ | bindende afspraak waarbij partijen jegens elkaar of de ene jegens de andere de wil geuit hebben om verbintenissen (iets… |
| 1081 | spring | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /sprɪŋ/ | tros die wordt uitgebracht in een richting tegen die van een landvast in, om het doorschieten van een schip te voorkomen. |
| 1082 | schilderij | Zelfstandig naamwoord | /sxɪl.dəˈrɛi̯/ | een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding. |
| 1083 | middernacht | Zelfstandig naamwoord | /ˈmɪdərˌnɑxt/ | het midden van de nacht, twaalf uur 's nachts. |
| 1084 | brein | Zelfstandig naamwoord | /brɛi̯n/ | iemand met een goed denkvermogen wiens denken achter een bepaalde organisatie of gebeurtenis te zoeken is. |
| 1085 | richt | Werkwoord | enkelvoud tegenwoordige tijd van richten. | |
| 1086 | onbekende | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van onbekend. | |
| 1087 | vervolgens | Bijwoord | /vərˈvɔl.ɣə(n)s/ | in de tijd na een eerdere gebeurtenis of handeling. |
| 1088 | iemands | Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord | (Zelfstandig naamwoord). | |
| 1089 | fabriek | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /faːˈbrik/ | plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt. |
| 1090 | geschikt | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈsxɪkt/ | goed bruikbaar (voor iets) personen apte zaken approprié/-ée geschikt zijn voor het beroep van verpleegkundige être apte… |
| 1091 | ontspannen | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌɔntˈspɑnə(n)/ | trachten de spanningen van de dag weg te laten vloeien. |
| 1092 | win | Werkwoord | /ʋɪn/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winnen. |
| 1093 | broertje | Zelfstandig naamwoord | /ˈbrurcə/ | verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord broer. |
| 1094 | gelopen | Werkwoord | /ˌɣəˈloː.pə(n)/ | voltooid deelwoord van lopen. |
| 1095 | apparaat | Zelfstandig naamwoord | /ˌɑ.paːˈraːt/ | een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft. |
| 1096 | storen | Werkwoord | /ˈstoː.rə(n)/ | het functioneren nadelig beïnvloeden. |
| 1097 | handelen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɦɑndələ(n)/ | dat wat iets of iemand doet. |
| 1098 | dwingen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈdʋɪŋə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1099 | optie | Zelfstandig naamwoord | /ˈɔp.si/ | een contract dat de houder het recht geeft een bepaald goed te kopen of te verkopen tegen een vooraf bepaalde prijs. |
| 1100 | slang | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /slɑŋ/ | Language outside of conventional usage and in the informal register. |
| 1101 | amen | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ˈaː.mə(n)/ | term waarmee de geldigheid wordt bevestigd van iets dat gezegd is: het zij zo, het is zo (30×: Num. 5:22, Deut. 27:15 +… |
| 1102 | student | Zelfstandig naamwoord | /styˈdɛnt/ | iemand die hoger onderwijs volgt. |
| 1103 | hoorden | Werkwoord | /ˈhɔːrdə(n)/ | meervoud verleden tijd van horen. |
| 1104 | opdagen | Werkwoord | /ˈɔpˌdaː.ɣə(n)/ | op de verwachte tijd en plaats verschijnen. |
| 1105 | volkomen | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /vɔlˈkomə(n)/ | zonder dat er iets aan ontbreekt. |
| 1106 | makker | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /mɑkər/ | iemand aan wie men door persoonlijke voorkeur verbonden is. |
| 1107 | duisternis | Zelfstandig naamwoord | /ˈdœy̯stərˌnɪs/ | een toestand van weinig of geen geestelijke verlichting. |
| 1108 | briljant | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /brɪlˈjɑnt/ | slijpvorm voor onder andere diamant. |
| 1109 | schouder | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsxɑu̯.dər/ | elk van de bovenste delen van de romp van de hals tot en met het begin van de bovenarm. |
| 1110 | godzijdank | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel | /ˌɣɔt.zɛi̯ˈdɑŋk/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1111 | lacht | Werkwoord | /lɑxt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lachen. |
| 1112 | dwaas | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /dʋaːs/ | iemand die onverstandig denkt en/of handelt. |
| 1113 | wachtte | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van wachten. | |
| 1114 | verdrietig | Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈdri.təx/ | in sombere stemming. |
| 1115 | bereik | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈrɛi̯k/ | de afstand die afgelegd kan worden, de invloed die uitgeoefend kan worden. |
| 1116 | gozer | Zelfstandig naamwoord | /ˈɣoː.zər/ | vent, kerel. |
| 1117 | gezorgd | Werkwoord | voltooid deelwoord van zorgen. | |
| 1118 | spion | Zelfstandig naamwoord | /spiˈjɔn/ | persoon die vertrouwelijke informatie vergaart in een ander land in opdracht van zijn/haar regering. |
| 1119 | wond | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ʋɔnt/ | een beschadiging in of aan het lichaam. |
| 1120 | campagne | Zelfstandig naamwoord | /kɑmˈpɑ.njə/ | een actie voor een bepaald doel, vaak als onderdeel van een verkiezingsstrijd. |
| 1121 | Boston | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbɔs.tən/ | in de negentiende eeuw populair kaartspel in Europa. |
| 1122 | mogelijkheden | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord mogelijkheid. | |
| 1123 | dinsdag | Zelfstandig naamwoord | /ˈdɪns.dɑx/ | dag van de week die na maandag en voor woensdag komt. |
| 1124 | lever | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈleːvər/ | vitaal orgaan voor opslag van bloed, galproductie en stofwisseling. |
| 1125 | avonds | Zelfstandig naamwoord | genitief van avond. | |
| 1126 | weggegaan | Werkwoord | voltooid deelwoord van weggaan. | |
| 1127 | verbinding | Zelfstandig naamwoord | /vərˈbɪn.dɪŋ/ | een chemische stof die bestaat uit twee of meer scheikundig elementen, het gaat hierbij om een stof met andere eigenscha… |
| 1128 | dek | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /dɛk/ | laag van haren of veren op de rug van een dier (-> verendek. |
| 1129 | meegaan | Werkwoord | /ˈmeɣan/ | op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan. |
| 1130 | nieuwsgierig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌniu̯ˈsxiː.rəx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1131 | helder | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɦɛldər/ | niet met wolken bedekt, onbewolkt. |
| 1132 | omlaag | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ɔmˈlax/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1133 | borsten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbɔrstə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord borst. |
| 1134 | oosten | Zelfstandig naamwoord | /ˈoːs.tə(n)/ | gebiedsdeel of regio gelegen ten oosten van Nederland, o.m. Oost-Europa, Midden-Oosten, Azië, e.d. |
| 1135 | namelijk | Bijwoord | /ˈnaː.mə.lək/ | met name genoemd: luidt een nadere precisering in. |
| 1136 | schande | Zelfstandig naamwoord | /ˈsxɑndə/ | iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols. |
| 1137 | ondertiteling | Zelfstandig naamwoord | /ˌɔn.dərˈti.tə.lɪŋ/ | een geschreven tekst (vaak vertaling) die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht en die vaak betrekking heeft op de g… |
| 1138 | overeen | Bijwoord | /ˌovəˈren/ | bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: tot een afspraak; accoord. |
| 1139 | kanten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈkɑn.tə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord kant. |
| 1140 | warme | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van warm. | |
| 1141 | gewicht | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈʋɪxt/ | de kracht die een voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent. |
| 1142 | bedrijven | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈdrɛi̯və(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord bedrijf. |
| 1143 | stront | Zelfstandig naamwoord | /strɔnt/ | versterkt als eerste deel van een samenstelling een negatieve eigenschap die het tweede deel aangeeft. |
| 1144 | vet | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /vɛt/ | een groep van chemische stoffen bestaande uit verbindingen tussen glycerol en vetzuren. |
| 1145 | geschenk | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈsxɛŋk/ | iets dat men iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis. |
| 1146 | negeren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /nəˈɣeː.rə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1147 | goeds | Bijvoeglijk naamwoord | /ɣuts/ | partitief van de stellende trap van goed. |
| 1148 | justitie | Zelfstandig naamwoord | /jʏˈsti(t)si/ | de macht waar binnen een territoriaal gebied de rechtspraak aan toegewezen is. |
| 1149 | sneeuw | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /sneːu̯/ | koolzuursneeuw, sneeuw van vast methaan, sneeuw van vaste stikstof. |
| 1150 | aanklager | Zelfstandig naamwoord | /ˈaːnˌklaː.ɣər/ | iemand die een strafzaak aanspant. |
| 1151 | zand | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /zɑnt/ | losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen, schelpen [1], kwarts en glimmer [1]. |
| 1152 | sport | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /spɔrt/ | lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid verei… |
| 1153 | besefte | Werkwoord | verbogen vorm van beseft, voltooid deelwoord van beseffen. | |
| 1154 | versie | Zelfstandig naamwoord | /ˈvɛr.zi/ | bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis. |
| 1155 | minste | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de overtreffende trap van weinig. | |
| 1156 | hartaanval | Zelfstandig naamwoord | /ˈɦɑrt.aːnˌvɑl/ | situatie dat je hart plotseling niet goed werkt crise vrouwelijk cardiaque doodgaan aan een hartaanval mourir d'une cris… |
| 1157 | bo | Zelfstandig naamwoord | /boː/ | : een taal uit de Mon-Khmer-tak van de Austroaziatische taalfamilie die gesproken wordt door circa 3000 personen in de p… |
| 1158 | c | Zelfstandig naamwoord, Uitdrukking | /seː/ | de eerste toon van de chromatische, en van de diatonische toonladder. |
| 1159 | as | Zelfstandig naamwoord, Voorzetsel, Voegwoord | /ɑs/ | de grondtoon van het “as-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonla… |
| 1160 | illegaal | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌi.ləˈɣaːl/ | in weerwil van de wet, onwettig, door de wet verboden. |
| 1161 | vertrouwde | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | persoon die men vertrouwt. | |
| 1162 | voort | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /voːrt/ | bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: verder gaan met een handeling, in richting naar voren gaand. |
| 1163 | varken | Zelfstandig naamwoord | /ˈvɑrkə(n)/ | tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees behorend tot de familie Suidae. |
| 1164 | prettig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈprɛtəx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1165 | moge | Werkwoord | /ˈmoɣə/ | aanvoegende wijs van mogen. |
| 1166 | donderdag | Zelfstandig naamwoord | /ˈdɔndərˌdɑx/ | een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt. |
| 1167 | straten | Zelfstandig naamwoord | /ˈstraː.tə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord straat. |
| 1168 | hout | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɦɑu̯t/ | materiaal in het binnenste van houtige planten (bomen, struiken, etc.). |
| 1169 | bovenop | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel | /ˌboː.vənˈɔp/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1170 | etentje | Zelfstandig naamwoord | /ˈetəɲcə/ | alleen verkleinwoord vrij informele bijeenkomst waarbij men een gezamenlijke maaltijd nuttigt. |
| 1171 | sindsdien | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | (Zelfstandig naamwoord). | |
| 1172 | vaste | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈvɑs.tə/ | single crochet (US sense). |
| 1173 | moeilijker | Bijvoeglijk naamwoord | onverbogen vorm van de vergrotende trap van moeilijk. | |
| 1174 | merk | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /mɛrk/ | een symbool of naam voor producten van een bepaalde producent of handelsonderneming. |
| 1175 | verdachten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord verdachte. | |
| 1176 | durft | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van durven. | |
| 1177 | opgegeven | Werkwoord | voltooid deelwoord van opgeven. | |
| 1178 | weggaat | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weggaan. | |
| 1179 | truc | Zelfstandig naamwoord | /tryk/ | een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken. |
| 1180 | el | Zelfstandig naamwoord | /ɛl/ | een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 centimeter. |
| 1181 | wegen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈʋeːɣə(n)/ | een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben. |
| 1182 | planten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈplɑntə(n)/ | in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien. |
| 1183 | pen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /pɛn/ | dat gedeelte van een vulpen waarmee de inkt over het papier verdeeld wordt. |
| 1184 | aanwezigheid | Zelfstandig naamwoord | /ˌaːnˈʋeː.zəx.ɦɛi̯t/ | het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats. |
| 1185 | stemming | Zelfstandig naamwoord | /ˈstɛ.mɪŋ/ | de hoogte van de standaardtoon en de onderlinge toonhoogteverhoudingen van een muziekinstrument of toonladder. |
| 1186 | bravo | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ˈbraːvoː/ | Italiaanse sluipmoordenaar. |
| 1187 | overleefd | Werkwoord | voltooid deelwoord van overleven. | |
| 1188 | gedurende | Zelfstandig naamwoord, Voorzetsel | /ɣəˈdyrəndə/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1189 | magische | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van magisch. | |
| 1190 | levende | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈlevəndə/ | verbogen vorm van de stellende trap van levend. |
| 1191 | therapie | Zelfstandig naamwoord | een methode om aan de genezing van zieken te werken. | |
| 1192 | geplaatst | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈplatst/ | voltooid deelwoord van plaatsen. |
| 1193 | grijp | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣrɛip/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijpen. |
| 1194 | gericht | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈrɪxt/ | gerecht, rechtbank, de rechter. |
| 1195 | voorafging | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van voorafgaan. | |
| 1196 | duwen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈdyu̯ə(n)/ | trekken (iets of iemand) verplaatsen door ertegen te drukken pousser (puse) Je moet duwen, niet trekken! Il faut pousser… |
| 1197 | tip | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /tɪp/ | stukje rubber in de hak- of schoenzool tegen scheef afslijten. |
| 1198 | sociale | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van sociaal. | |
| 1199 | euh | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ə/ | an onomatopoeia of the filler sound. |
| 1200 | opeten | Werkwoord | /ˈɔpˌeː.tə(n)/ | door eten opmaken. |
| 1201 | daarbinnen | Bijwoord | /ˌdaːrˈbɪ.nə(n)/ | binnen dat, binnen die. |
| 1202 | beloning | Zelfstandig naamwoord | /bəˈloː.nɪŋ/ | iets wat men krijgt na het verrichten van een goede daad. |
| 1203 | dapper | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈdɑ.pər/ | geen angst voor gevaar tonend. |
| 1204 | concentreren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kɔnsɛnˈtreːrə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1205 | heleboel | Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord | /ˌɦeː.ləˈbul/ | een ~: veel. |
| 1206 | beschikbaar | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /bəˈsxɪkˌbaːr/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1207 | seksuele | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van seksueel. | |
| 1208 | bezorgen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈzɔrɣə(n)/ | naar een plek brengen livrer (livʀe) pizza's bezorgen livrer des pizzas maaltijden aan huis bezorgen distribuer des repa… |
| 1209 | koopt | Werkwoord | /koːpt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kopen. |
| 1210 | hek | Zelfstandig naamwoord | /ɦɛk/ | draaibaar deel van een omheining, het deel dat als toegang gebruikt wordt. |
| 1211 | bied | Werkwoord | /bit/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bieden. |
| 1212 | huidige | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van huidig. | |
| 1213 | on | Bijwoord | rarely used as shorthand for oneven (odd), the prefix on- means not (corresponds to English un-). | |
| 1214 | achterna | Bijwoord | /ˌɑx.tərˈnaː/ | iemand of iets volgend. |
| 1215 | verenigde | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈeːnɪɣdə/ | masculine/feminine singular attributive. |
| 1216 | golf | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣɔlf/ | balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen. |
| 1217 | café | Zelfstandig naamwoord | /kaːˈfeː/ | gebouw waar je allerlei dranken kunt drinken café (kafe) mannelijk studentencafé café d'étudiants café waar het donker e… |
| 1218 | suiker | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsœy̯.kər/ | oplosbare zoetstof hoofdzakelijk verkregen uit suikerbieten en suikerriet. |
| 1219 | lippen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈlɪpə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord lip. |
| 1220 | zuurstof | Zelfstandig naamwoord | /ˈzyːr.stɔf/ | een scheikundig element met symbool O en atoomnummer 8, en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂ en bij… |
| 1221 | gevoelig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈvuləx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1222 | herhaal | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herhalen. | |
| 1223 | gras | Zelfstandig naamwoord | /ɣrɑs/ | benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien. |
| 1224 | gekwetst | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈkwɛtst/ | voltooid deelwoord van kwetsen. |
| 1225 | smerige | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van smerig. | |
| 1226 | filmen | Werkwoord | /ˈfɪl.mə(n)/ | bewegende beelden opnemen en vastleggen. |
| 1227 | tunnel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtʏ.nəl/ | een kunstmatige ondergrondse doorgang, m.n. op autowegen. |
| 1228 | rock | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /rɔk/ | een muziekstijl gekarakteriseerd door een 4/4-maat en gebruik van (vaak elektrische) gitaren. |
| 1229 | verstandig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈstɑndəx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1230 | organisatie | Zelfstandig naamwoord | /ˌɔr.ɣaː.niˈsaː.(t)si/ | een groep, instantie e.d. die een bepaald doel of een bepaalde (vaak economische) rol in de maatschappij heeft (zoals ee… |
| 1231 | voorgoed | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /vorˈɣut/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1232 | families | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord familie. | |
| 1233 | betwijfel | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van betwijfelen. | |
| 1234 | meekomen | Werkwoord | met iemand ergens heen gaan. | |
| 1235 | geruchten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord gerucht. | |
| 1236 | redde | Werkwoord | /ˈrɛdə/ | enkelvoud verleden tijd van redden. |
| 1237 | doorbrengen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈdoːrbrɛŋə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1238 | puur | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /pyr/ | neat, free from contaminants; unadulterated, undiluted. |
| 1239 | stak | Werkwoord | /stɑk/ | enkelvoud verleden tijd van steken. |
| 1240 | diamanten | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌdijaˈmɑntə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord diamant. |
| 1241 | lading | Zelfstandig naamwoord | /ˈladɪŋ/ | de bijbetekenis die door een bepaald woord of een bepaalde zinsnede opgeroepen wordt. |
| 1242 | bevestigd | Werkwoord | voltooid deelwoord van bevestigen. | |
| 1243 | stinkt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stinken. | |
| 1244 | inclusief | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voorzetsel | /ˌɪŋklyˈzif/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1245 | oudere | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɑudərə/ | een persoon op leeftijd. |
| 1246 | verraad | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vəˈraːt/ | het schenden van trouw. |
| 1247 | interview | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɪn.tərˌvju/ | vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen. |
| 1248 | middel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈmɪ.dəl/ | fase in de geschiedenis van sommige talen tussen de oudste vorm daarvan ("oud") en de meest recente verleden ("nieuw"). |
| 1249 | geboorte | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈboːr.tə/ | bevalling, actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint. |
| 1250 | nicht | Zelfstandig naamwoord | /nɪxt/ | mannelijke homoseksueel, met de connotatie dat die zich "verwijfd" gedraagt. |
| 1251 | momenten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord moment. | |
| 1252 | podium | Zelfstandig naamwoord | /ˈpoː.di.(j)ʏm/ | een gewoonlijk verhoogde open ruimte waarop iets voor een publiek aanschouwelijk gemaakt kan worden. |
| 1253 | effect | Zelfstandig naamwoord | /ɛˈfɛkt/ | een op de kapitaalmarkt verhandeld waardepapier, zoals een obligatie of een aandeel. |
| 1254 | vijftien | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈvɛi ̯ftin/ | "15", het getal tussen veertien en zestien, tien plus vijf. |
| 1255 | houding | Zelfstandig naamwoord | stand van je lichaam attitude vrouwelijk een slechte houding hebben avoir une mauvaise tenue (van soldaten) rechtop stil… | |
| 1256 | veroorzaken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈoːrˌzaːkə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1257 | verpleegster | Zelfstandig naamwoord | /vərˈpleːx.stər/ | vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden. |
| 1258 | lig | Werkwoord | /lɪx/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van liggen. |
| 1259 | bibliotheek | Zelfstandig naamwoord | /ˌbi.bli.joːˈteːk/ | instelling waar je boeken kunt lenen bibliothèque (biblijɔtɛk) vrouwelijk bibliotheekcatalogus catalogue d'une / de la b… |
| 1260 | schrijver | Zelfstandig naamwoord | /ˈsxrɛi̯vər/ | een persoon die beroepsmatig schrijft. |
| 1261 | beloven | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈloːvə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1262 | identificeren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˌidɛntifiˈserə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1263 | hut | Zelfstandig naamwoord | /ɦʏt/ | primitieve behuizing voor mens en huisdier, gemaakt van ter plaatse aanwezig materiaal: hout, plaggen, leem e.d. (een be… |
| 1264 | goedenacht | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ˌɣu.dəˈnɑxt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1265 | volgend | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈvɔlɣənt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1266 | gecontroleerd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˌkɔntroˈlert/ | waarvan is nagegaan dat het in orde is. |
| 1267 | beroemd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /bəˈrumt/ | bekend en bewonderd; = befaamd célèbre (selɛbʀ) beroemd worden devenir célèbre. |
| 1268 | masker | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈmɑs.kər/ | een voorwerp geplaatst voor het gelaat dat de indruk wekt van een andere identiteit van de drager. |
| 1269 | scherp | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /sxɛrp/ | de zintuigen sterk, vaak negatief, prikkelend. |
| 1270 | trainen | Werkwoord | /ˈtreː.nə(n)/ | door middel van oefeningen een bepaalde vaardigheid opbouwen. |
| 1271 | kamers | Zelfstandig naamwoord | /ˈkamərs/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord kamer. |
| 1272 | kampioen | Zelfstandig naamwoord | /kɑm.piˈjun/ | de winnaar van een kampioenschap. |
| 1273 | graaf | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ɣraːf/ | edelman, erfelijk bestuurder van een graafschap; oorspronkelijk leenman van een vorst, één rang lager dan markies, één r… |
| 1274 | oproep | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /'ɔprup/ | een dringende vraag om iets te doen. |
| 1275 | achterin | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel | /ˌɑx.təˈrɪn/ | a hamlet in Hardenberg, Overijssel, Netherlands. |
| 1276 | beters | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈbetərs/ | partitief van de vergrotende trap van goed. |
| 1277 | veroorloven | Werkwoord | zich ~ zichzelf iets toestaan, gewoonlijk een financiële uitgave. | |
| 1278 | helikopter | Zelfstandig naamwoord | /ɦeːliˈkɔptər/ | luchtvaartuig met een hefschroef waardoor het verticaal kan opstijgen en landen. |
| 1279 | zekere | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈzɛkərə/ | verbogen vorm van de stellende trap van zeker. |
| 1280 | gelegd | Werkwoord | /ɣəˈlɛxt/ | voltooid deelwoord van leggen. |
| 1281 | miljard | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /mɪlˈjɑrt/ | het getal 1.000.000.000. |
| 1282 | vies | Bijvoeglijk naamwoord | /vis/ | een onaangename smaak hebbend. |
| 1283 | geintje | Zelfstandig naamwoord | /ˈɣɛi̯n.tjə/ | onaangenaam voorval. |
| 1284 | uitgaan | Werkwoord | /ˈœy̯txaːn/ | uitgaan met: het beëindigen van een liefdes relatie. |
| 1285 | weleens | Bijwoord | /ʋɛˈleːns/ | een enkele keer (maar vaker is niet uitgesloten). |
| 1286 | bruid | Zelfstandig naamwoord | /brœy̯t/ | een vrouw die in het huwelijk treedt. |
| 1287 | voer | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vur/ | voedsel, in het bijzonder voor huisdieren en vee. |
| 1288 | praatte | Werkwoord | /ˈpratə/ | enkelvoud verleden tijd van praten. |
| 1289 | aanwijzingen | Zelfstandig naamwoord | /ˈaɱwɛizɪŋə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord aanwijzing. |
| 1290 | eva | Zelfstandig naamwoord | /ˈeː.vaː/ | eerste vrouw door God geschapen die samen met Adam tot de zondeval in het paradijs verbleef. |
| 1291 | benzine | Zelfstandig naamwoord | /bɛnˈzi.nə/ | een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen met een ketenlegte tussen vijf en twaalf… |
| 1292 | wegging | Werkwoord | /ˈwɛxɪŋ/ | enkelvoud verleden tijd van weggaan. |
| 1293 | keizer | Zelfstandig naamwoord | /ˈkɛi̯.zər/ | een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk. |
| 1294 | vrouwelijke | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van vrouwelijk. | |
| 1295 | voeden | Werkwoord | /ˈvudə(n)/ | een systeem voorzien van invoer zodat werking mogelijk wordt. |
| 1296 | studio | Zelfstandig naamwoord | /ˈstydioː/ | plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden. |
| 1297 | gif | Zelfstandig naamwoord | /ɣɪf/ | bestand waarin een rasterafbeelding of een animatie daarvan in een bepaalde codering is vastgelegd. |
| 1298 | uitnodiging | Zelfstandig naamwoord | /ˈœy̯tˌnoː.də.ɣɪŋ/ | een verzoek om iets bij te wonen. |
| 1299 | probeerden | Werkwoord | meervoud verleden tijd van proberen. | |
| 1300 | datje | Zelfstandig naamwoord | /'dɑcə/ | kleine hoeveelheid weinig opzienbarende informatie. |
| 1301 | ketting | Zelfstandig naamwoord | /ˈkɛ.tɪŋ/ | een eindeloze band van schakels met rollen of haken, die over kettingwielen gespannen, kracht overbrengt. |
| 1302 | schitterend | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈsxɪ.tə.rənt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1303 | velen | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord | /ˈveːlə(n)/ | tolereren, verdragen, dulden. |
| 1304 | zekerheid | Zelfstandig naamwoord | /ˈzeː.kərˌɦɛi̯t/ | het uitgesloten zijn van andere mogelijkheden. |
| 1305 | kliniek | Zelfstandig naamwoord | /kliˈnik/ | inrichting waar patiënten medische zorg krijgen en worden verpleegd. |
| 1306 | museum | Zelfstandig naamwoord | /ˌmyˈzeː.ʏm/ | een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden. |
| 1307 | handtekening | Zelfstandig naamwoord | /ˈɦɑnˌteː.kə.nɪŋ/ | een ondertekening die per persoon uniek is. |
| 1308 | bevrijden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈvrɛi̯.dən/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1309 | ramen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈraːmə(n)/ | inschatten, vaak middels berekening. |
| 1310 | rechtszaak | Zelfstandig naamwoord | /ˈrɛxt.saːk/ | een geschil dat twee of meer partijen hebben over hun rechten en dat zij aan de uitspraak van een rechter onderwerpen. |
| 1311 | dokters | Zelfstandig naamwoord | /ˈdoktərs/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord dokter. |
| 1312 | rijd | Werkwoord | /rɛi̯t/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijden. |
| 1313 | kopie | Zelfstandig naamwoord | /koːˈpi/ | Goupia glabra een boom die groeit in Midden-Amerika. Het verspreidingsgebied strekt zich uit over Brazilië, Bolivia, Per… |
| 1314 | rende | Werkwoord | /ˈrɛndə/ | enkelvoud verleden tijd van rennen. |
| 1315 | vampier | Zelfstandig naamwoord | /vɑmˈpiːr/ | uit schijnbare dood herrijzend wezen dat zijn slachtoffers in de nek bijt met zijn kenmerkende hoektanden en zich dan vo… |
| 1316 | personen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord persoon. | |
| 1317 | tieten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord tiet. | |
| 1318 | expert | Zelfstandig naamwoord | /ɛkˈspɛːr/ | iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp. |
| 1319 | feesten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈfeːstə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord feest. |
| 1320 | zegen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈzeːɣə(n)/ | breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet Vistuig bestaande uit een van drijvers voorziene bovenpees en een verzwa… |
| 1321 | rommel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈrɔməl/ | vele waardeloze spullen door elkaar. |
| 1322 | mijl | Zelfstandig naamwoord | /mɛi̯l/ | een Angelsaksische lengtemaat: 1 Engelse mijl is circa 1,6 kilometer. |
| 1323 | daarbuiten | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˌdaːrˈbœy̯.tə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1324 | opleiding | Zelfstandig naamwoord | vorm van onderwijs. | |
| 1325 | bedenk | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedenken. | |
| 1326 | live | Bijvoeglijk naamwoord | /lɑjf/ | rechtstreeks zonder eerst opnames te maken. |
| 1327 | beschermd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /bəˈsxɛrᵊmt/ | voltooid deelwoord van beschermen. |
| 1328 | roze | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /rɔːzə/ | met een heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten. |
| 1329 | legt | Werkwoord | /lɛxt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leggen. |
| 1330 | walker | Zelfstandig naamwoord | /ˈwɑlkər/ | volder, lakenarbeider, voller. |
| 1331 | flauw | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /flɑu/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1332 | gewoonlijk | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ɣəˈʋoːn.lək/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1333 | telefoontjes | Zelfstandig naamwoord | verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord telefoon. | |
| 1334 | pech | Zelfstandig naamwoord | /pɛx/ | toestand waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is. |
| 1335 | grootvader | Zelfstandig naamwoord | /ˈɣroːtˌfaːdər/ | de vader van een ouder. |
| 1336 | junior | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈjyniˌjɔr/ | iemand in een jongere leeftijdsklasse. |
| 1337 | voorzitter | Zelfstandig naamwoord | /ˈvorzɪtər/ | hoofd van een bestuur, leider van een vergadering. |
| 1338 | miste | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈmɪs.tə/ | enkelvoud verleden tijd van missen. |
| 1339 | bodem | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈboː.dəm/ | het begin, de basis van waaruit men verder kan werken. |
| 1340 | gevoeld | Werkwoord | /ɣəˈvult/ | voltooid deelwoord van gevoelen. |
| 1341 | repareren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˌreː.paːˈreː.rə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1342 | bewusteloos | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /bəˈʋʏs.təˌloːs/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1343 | bommen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord bom. | |
| 1344 | zusje | Zelfstandig naamwoord | verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord zus. | |
| 1345 | opname | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɔpˌnaː.mə/ | de afdeling van een ziekenhuis die zich met het opnemen van patiënten bezighoudt. |
| 1346 | pols | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /pɔls/ | een klopping in de polsslagader, polsslag. |
| 1347 | herkennen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˌɦɛrˈkɛ.nə(n)/ | door horen of zien weer weten wie iemand is of wat iets is reconnaître Ik herkende de plaats waar het ongeluk gebeurd is… |
| 1348 | hartslag | Zelfstandig naamwoord | /ˈɦɑrt.slɑx/ | het ritme waarmee het hart klopt. |
| 1349 | hete | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈɦeːtə/ | verbogen vorm van de stellende trap van heet. |
| 1350 | behoefte | Zelfstandig naamwoord | /bəˈɦuf.tə/ | behoefte hebben aan: iets heel erg nodig hebben. |
| 1351 | oorzaak | Zelfstandig naamwoord | /ˈorzak/ | datgene wat noodzakelijk en voldoende is om een zeker gevolg te hebben. |
| 1352 | kiest | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /kist/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kiezen. |
| 1353 | brave | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈbraːvə/ | verbogen vorm van de stellende trap van braaf. |
| 1354 | centrale | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌsɛnˈtraː.lə/ | centraal punt in een stervormig netwerk met de belangrijkste functies b.v. een telefooncentrale. |
| 1355 | dochters | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord dochter. | |
| 1356 | bewezen | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | meervoud verleden tijd van bewijzen. | |
| 1357 | danken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈdɑŋkə(n)/ | To make dank (all senses). |
| 1358 | gestoken | Werkwoord | voltooid deelwoord van steken. | |
| 1359 | rat | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /rɑt/ | muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus dat vaak gezien wordt als ongedierte. |
| 1360 | koekjes | Zelfstandig naamwoord | verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord koek. | |
| 1361 | weglopen | Werkwoord | /ˈʋɛxˌloː.pə(n)/ | ~ van iemand of iets verlaten (al dan niet lopend). |
| 1362 | leuker | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈløːkər/ | onverbogen vorm van de vergrotende trap van leuk. |
| 1363 | medisch | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈmeː.dis/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1364 | kopje | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˈkɔ.pjə/ | verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kop. |
| 1365 | gelegenheid | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈleː.ɣə(n)ˌɦɛi̯t/ | mogelijkheid tot. |
| 1366 | zijne | Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord | /ˈzɛi̯.nə/ | zelfstandige vorm van zijn, derde persoon enkelvoud mannelijk. |
| 1367 | grenzen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɣrɛn.zə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord grens. |
| 1368 | betrapt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van betrappen. | |
| 1369 | achteren | Bijwoord | /ˈɑx.tə.rə(n)/ | van ~ aan de achterzijde, vanaf de achterzijde. |
| 1370 | bijeenkomst | Zelfstandig naamwoord | /bɛi̯ˈeːnˌkɔmst/ | het bij elkaar komen van een groep van personen. |
| 1371 | uitdaging | Zelfstandig naamwoord | /ˈœy̯tˌdaː.ɣɪŋ/ | een daad gericht op het ontlokken van een (specifieke) reactie. |
| 1372 | onderhandelen | Werkwoord | /ˌɔn.dərˈɦɑn.də.lə(n)/ | overleggen om tot een afspraak te komen. |
| 1373 | overvallen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈoː.vərˌvɑ.lə(n)/ | bij verrassing een pand (bank, woning e.d.) aanvallen (om bijv. te beroven). |
| 1374 | Triëst | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /trist/ | somber stemmend. |
| 1375 | slagen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈslaːɣə(n)/ | het examen succesvol beëindigen. |
| 1376 | kruis | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /krœy̯s/ | teken in de muzieknotatie dat de verhoging van een toon met een halve stap aangeeft. |
| 1377 | technisch | Bijvoeglijk naamwoord | /[ˈtɛxnis]/ | op de directe uitvoeringsprakijk betrekking hebbend. |
| 1378 | gooit | Werkwoord | /ɣoːi̯t/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gooien. |
| 1379 | fantastische | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van fantastisch. | |
| 1380 | beschermt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beschermen. | |
| 1381 | beantwoord | Werkwoord | /bə.ʔˈɑnt.ʋɔːrt/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beantwoorden. |
| 1382 | positief | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌpoː.ziˈtif/ | deel van een orgel, bestaande uit een aantal bijeenbehorende pijpen (zie b.v. rugpositief). |
| 1383 | vieze | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van vies. | |
| 1384 | bewijst | Werkwoord | /bəˈʋɛ͡i̯st/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bewijzen. |
| 1385 | brigadier | Zelfstandig naamwoord | /ˈbri.ɣaːˈdiːr/ | een rang bij de Nederlandse politie tussen hoofdagent en inspecteur. |
| 1386 | ogenblik | Zelfstandig naamwoord | /ˌoː.ɣənˈblɪk/ | moment, een bepaald tijdstip. |
| 1387 | kalmeer | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kalmeren. | |
| 1388 | hoogheid | Zelfstandig naamwoord | /ˈɦoːx.ɦɛi̯t/ | iemand die een zeer hoge adellijke rang bekleedt. |
| 1389 | droog | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /droːx/ | A violent young gang member or a hooligan. |
| 1390 | admiraal | Zelfstandig naamwoord | /ˌɑt.miˈraːl/ | opperbevelhebber van een oorlogsvloot. |
| 1391 | schaam | Werkwoord | /sxaːm/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich schamen. |
| 1392 | excuseren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˌɛks.kyˈzeː.rə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1393 | vroegen | Werkwoord | /ˈvruɣə(n)/ | meervoud verleden tijd van vragen. |
| 1394 | kleed | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kleːt/ | gebruikt als lichaamsbedekking, meestal meervoud, gewaad, kleding. |
| 1395 | leid | Werkwoord | /lɛi̯t/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leiden. |
| 1396 | blake | Werkwoord | aanvoegende wijs van blaken. | |
| 1397 | maaltijd | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈmaːltɛi̯t/ | een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen. |
| 1398 | gereden | Werkwoord | /ɣəˈredə(n)/ | voltooid deelwoord van rijden. |
| 1399 | interessante | Bijvoeglijk naamwoord | /ˌɪn.tə.rɛˈsɑn.tə/ | verbogen vorm van de stellende trap van interessant. |
| 1400 | vuren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈvy.rə(n)/ | schoten lossen. |
| 1401 | gezichten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord gezicht. | |
| 1402 | fantasie | Zelfstandig naamwoord | /fɑntaːˈzi/ | vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust. |
| 1403 | aanpakken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈaːmˌpɑkə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord aanpak. |
| 1404 | namens | Voorzetsel | /ˈnaməns/ | iemand in naam vertegenwoordigend. |
| 1405 | afhandelen | Werkwoord | /ˈɑfˌɦɑndələ(n)/ | regelen zodat het tot een einde komt. |
| 1406 | stress | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /strɛs/ | zware spanning, geestelijke druk (uit de omgeving). |
| 1407 | waarschuw | Werkwoord | /ˈʋaːrsxyu/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waarschuwen. |
| 1408 | bijbel | Zelfstandig naamwoord | /ˈbɛi̯.bəl/ | boek of andere publicatie dat het belangrijkste is in zijn onderwerp, of dat alle belangrijke informatie over het onderw… |
| 1409 | studie | Zelfstandig naamwoord | /ˈsty.di/ | tijd die men besteedt aan het uitzoeken van een bepaald onderwerp of probleem; onderzoek. |
| 1410 | ofwel | Zelfstandig naamwoord, Voegwoord | /ɔfˈwɛl/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1411 | kaartjes | Zelfstandig naamwoord | verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord kaart. | |
| 1412 | schema | Zelfstandig naamwoord | /ˈsxeː.maː/ | een grafische weergave van de relaties tussen de onderdelen van een plan, theorie of organisatie. |
| 1413 | gelul | Zelfstandig naamwoord | /ɣəlʏl/ | onzinnig gepraat. |
| 1414 | vers | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vɛrs/ | partitief van de stellende trap van ver. |
| 1415 | biedt | Werkwoord | /bit/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bieden. |
| 1416 | aangeraakt | Werkwoord | /ˈaŋɣəˌrakt/ | voltooid deelwoord van aanraken. |
| 1417 | besteld | Werkwoord | /bəˈstɛlt/ | voltooid deelwoord van bestellen. |
| 1418 | overnemen | Werkwoord | /ˈovərˌnemə(n)/ | het bezit of de leiding van iets afpakken van iets of iemand anders. |
| 1419 | waarderen | Werkwoord | /ˌʋaːrˈdeː.rə(n)/ | op prijs stellen, appreciëren. |
| 1420 | tranen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtraː.nə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord traan. |
| 1421 | ontspan | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ontspannen. | |
| 1422 | geopend | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈʔopənt/ | voltooid deelwoord van openen. |
| 1423 | documenten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord document. | |
| 1424 | mammie | Zelfstandig naamwoord | /ˈmɑ.mi/ | granny, grandma. |
| 1425 | groots | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | (Zelfstandig naamwoord). | |
| 1426 | eventjes | Bijwoord | /ˈeː.və(n).tjəs/ | in weinig tijd of met weinig inspanning. |
| 1427 | boeten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈbutə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord boete. |
| 1428 | staart | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /staːrt/ | ietwat schampere bijnaam voor een jongen die zijn haar in een staart [3] draagt. |
| 1429 | prettige | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈprɛ.tə.ɣə/ | verbogen vorm van de stellende trap van prettig. |
| 1430 | ondervragen | Werkwoord | /ɔndərˈvraːɣə(n)/ | iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen. |
| 1431 | schedel | Zelfstandig naamwoord | /ˈsxeː.dəl/ | skelet van een mensenhoofd of van een dierenkop, dat vorm geeft aan het hoofd resp. de kop. |
| 1432 | tijdelijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈtɛidələk/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1433 | overleed | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van overlijden. | |
| 1434 | klinken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈklɪŋ.kə(n)/ | een glas tegen dat van een ander stoten bij een heildronk, proosten. |
| 1435 | demon | Zelfstandig naamwoord | /ˈdeː.mɔn/ | een boze geest of gevallen engel of ander bovennatuurlijk wezen. |
| 1436 | morgenavond | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˌmɔrɣənˈaːvɔnt/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1437 | vergist | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich vergissen. | |
| 1438 | aanslag | Zelfstandig naamwoord | /ˈaːn.slɑx/ | een voorziening op een rail of as die de bewegingsruimte van een of ander mobiel onderdeel beperkt. |
| 1439 | proef | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /pruf/ | het verrichten van een handeling om een verschijnsel te achterhalen of zichtbaar te maken, proefneming, experiment. |
| 1440 | Steven | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈsteːvə(n)/ | langsscheeps constructiedeel, dat een voortzetting vormt van de kielbalk. |
| 1441 | ontstaan | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɔntˈstaːn/ | de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan. |
| 1442 | kennelijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ˈkɛnələk/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1443 | beslissingen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord beslissing. | |
| 1444 | smaakt | Werkwoord | /smaːkt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van smaken. |
| 1445 | soep | Zelfstandig naamwoord | /sup/ | vloeibaar gerecht dat bereid wordt door bepaalde ingrediënten, met name groenten en/of vlees, met bouillon en veel water… |
| 1446 | nul | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /nʏl/ | toestand waarbij de tegenstander in een wedstrijd nog geen doelpunt heeft kunnen maken. |
| 1447 | green | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣreːn/ | aanduiding van een complete golfbaan met meerdere holes. |
| 1448 | oordeel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈoːr.deːl/ | uitspraak van een rechtbank, vonnis. |
| 1449 | bloeddruk | Zelfstandig naamwoord | /ˈblu(t).drʏk/ | de hydrostatische druk die het bloed op het vaatstelsel van de slagaderen uitoefent. |
| 1450 | wegkomt | Werkwoord | /ˈʋɛx.kɔmt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wegkomen. |
| 1451 | hoofdpijn | Zelfstandig naamwoord | /ˈɦoːft.pɛi̯n/ | pijn in het hoofd. |
| 1452 | vijfde | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈvɛi̯f.də/ | nummer vijf in een rij. |
| 1453 | penny | Zelfstandig naamwoord | kleinste Britse munt, Engelse stuiver. | |
| 1454 | hieruit | Bijwoord | uit dit, uit deze. | |
| 1455 | terroristen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord terrorist. | |
| 1456 | rekeningen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord rekening. | |
| 1457 | pijnlijk | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈpɛi̯n.lək/ | een onaangenaam gevoel, pijn gevend. |
| 1458 | fase | Zelfstandig naamwoord | /ˈfaːzə/ | verschijningsvorm van een stof met homogene chemische en fysische eigenschappen. |
| 1459 | blazen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈblaːzə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord blaas. |
| 1460 | teef | Zelfstandig naamwoord | /teːf/ | scheldwoord voor een meisje of een vrouw #:⚠️ Dit gebruik van het woord roept twijfels op over de gebruiker. |
| 1461 | jo | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | jongensnaam. | |
| 1462 | bot | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /bɔt/ | een computerprogramma dat bepaalde handelingen automatisch uitvoert op basis van bepaalde reacties van externe gebruiker… |
| 1463 | ei | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ɛi̯/ | min of meer ronde huls met daarin een embryo en voedingsstoffen, zoals die door vrouwelijke dieren wordt gelegd of afgez… |
| 1464 | mr. | Zelfstandig naamwoord | /ˈmestər/ | vroegere academische titel op masterniveau, gevoerd voor de naam door een meester in de rechten, vervangen door LLM acht… |
| 1465 | beroemde | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van beroemd. | |
| 1466 | chaos | Zelfstandig naamwoord | /ˈxaː.ɔs/ | praktisch onvoorspelbaarheid van uitkomsten die in sommige ingewikkelde stelsels van vaste rekenregels ontstaat door min… |
| 1467 | verbaast | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verbazen. | |
| 1468 | gedumpt | Werkwoord | voltooid deelwoord van dumpen. | |
| 1469 | tekst | Zelfstandig naamwoord | /tɛkst/ | de woorden van een compositie voor stemmen, liedtekst. |
| 1470 | scène | Zelfstandig naamwoord | /ˈsɛːnə/ | een deel van een toneelstuk of film dat eenzelfde plaats, tijd en handeling voorstelt. |
| 1471 | uitzicht | Zelfstandig naamwoord | /ˈœy̯t.sɪxt/ | wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien. |
| 1472 | vooruitgang | Zelfstandig naamwoord | /voːˈrœy̯tˌxɑŋ/ | proces van technologische en economische groei van een samenleving. |
| 1473 | maagd | Zelfstandig naamwoord | /maːxt/ | sterrenbeeld van de dierenriem (tussen rechte klimming 11ᵘ35ᵐ en 15ᵘ08ᵐ en tussen declinatie −22° en +14°). |
| 1474 | bijzondere | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van bijzonder. | |
| 1475 | sex | Zelfstandig naamwoord | alternative spelling of seks. | |
| 1476 | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈimeːl/ | systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk. | |
| 1477 | lafaard | Zelfstandig naamwoord | /ˈlɑf.aːrt/ | iemand die door zijn angst wegvlucht uit gevaarlijke situaties. |
| 1478 | mei | Zelfstandig naamwoord | /mɛi̯/ | de vijfde maand van het jaar. |
| 1479 | dodelijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈdoː.də.lək/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1480 | geleid | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣəˈlɛit/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geleiden. |
| 1481 | bestellen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈstɛlə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord bestel. |
| 1482 | plassen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈplɑ.sə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord plas. |
| 1483 | opgegroeid | Werkwoord | /ˈɔpˌɣəɣrui̯t/ | voltooid deelwoord van opgroeien. |
| 1484 | teddy | Zelfstandig naamwoord | /ˈtɛdi/ | een pop in de vorm van een beer gemaakt van pluche. |
| 1485 | ontvoering | Zelfstandig naamwoord | /ˌɔntˈvu.rɪŋ/ | het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon. |
| 1486 | boze | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈbozə/ | verbogen vorm van de stellende trap van boos. |
| 1487 | affaire | Zelfstandig naamwoord | /ˌɑˈfɛː.rə/ | zakelijke of vervelende aangelegenheid die langere tijd aandacht vraagt. |
| 1488 | kreng | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /krɛŋ/ | het – vaak al deels ontbonden – stoffelijk overschot van bepaalde dieren (vooral vogels en zoogdieren). |
| 1489 | verzinnen | Werkwoord | /vərˈzɪnə(n)/ | bedenken van een fictief iets. |
| 1490 | sigaret | Zelfstandig naamwoord | /ˌsi.ɣaːˈrɛt/ | rolletje fijngekorven tabak in een omhulsel van speciaal papier, om daarin gerookt te worden. |
| 1491 | vat | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vɑt/ | standaard inhoudsmaat voor ruwe aardolie of bier: 1 vat aardolie = 159 liter. |
| 1492 | verspreiden | Werkwoord | in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden. | |
| 1493 | vullen | Werkwoord | /ˈvʏlə(n)/ | vol maken. |
| 1494 | vermogen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈmoːɣə(n)/ | de hoeveelheid verrichte arbeid per tijdseenheid, vaak uitgedrukt in de SI-eenheid watt. |
| 1495 | realiteit | Zelfstandig naamwoord | /ˌreː.aː.liˈtɛi̯t/ | werkelijkheid. |
| 1496 | doodgaan | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈdoːtɣaːn/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1497 | diegene | Voornaamwoord | /ˌdiˈɣeː.nə/ | als antecedent van een beperkende bijzin, die persoon. |
| 1498 | betekend | Werkwoord | /bə.ˈteː.kənt/ | voltooid deelwoord van betekenen. |
| 1499 | pakje | Zelfstandig naamwoord | /ˈpɑk.jə/ | alleen verkleinwoord klein geschenk in een tijdelijk omhulsel van papier of vergelijkbaar materiaal, ter verfraaiing en… |
| 1500 | buitenlandse | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈbœy̯.tə(n)ˌlɑnt.sə/ | verbogen vorm van de stellende trap van buitenlands. |
| 1501 | telkens | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voegwoord | /ˈtɛl.kə(n)s/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1502 | slechter | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈslɛx.tər/ | onverbogen vorm van de vergrotende trap van slecht. |
| 1503 | verander | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veranderen. | |
| 1504 | promotie | Zelfstandig naamwoord | /proˈmotsi/ | de bevordering naar een hogere spel- of toernooicompetitie vanwege uitstekende sportieve prestaties. |
| 1505 | overstuur | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌovərˈstyr/ | emotioneel aangedaan. |
| 1506 | dominee | Zelfstandig naamwoord | /ˈdoːmineː/ | benaming voor het mannetje dat de leider is van een groep brulapen Alouatta macconnelli. |
| 1507 | keuzes | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord keuze. | |
| 1508 | bekennen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /bəˈkɛnə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1509 | levert | Werkwoord | /ˈlevərt/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leveren. |
| 1510 | verdwaald | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vər.ˈdʋaːlt/ | niet meer weten waar men is en hoe men moet gaan, de weg kwijt zijn. |
| 1511 | federale | Bijvoeglijk naamwoord | /ˌfeː.dəˈraː.lə/ | verbogen vorm van de stellende trap van federaal. |
| 1512 | kranten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord krant. | |
| 1513 | patroon | Zelfstandig naamwoord | /paːˈtroːn/ | : tekening die als basis dient om meerdere dezelfde eindproducten te maken, sjabloon, template. |
| 1514 | relaties | Zelfstandig naamwoord | /rəˈlaː.tsis/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord relatie. |
| 1515 | bedreigd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | voltooid deelwoord van bedreigen. | |
| 1516 | wetten | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈʋɛ.tə(n)/ | het aanscherpen [1] van een mes op een wetsteen. |
| 1517 | herkent | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herkennen. | |
| 1518 | boodschappen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈboːtˌsxɑ.pə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord boodschap. |
| 1519 | zenuwachtig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈzeːnyu̯ˌɑxtəx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1520 | koninkrijk | Zelfstandig naamwoord | /ˈkoːnɪŋkˌrɛi̯k/ | aanduiding voor de staat waar het land Nederland toe behoort Deze staat omvatte bij het begin (1813) verder nog België (… |
| 1521 | aanwijzing | Zelfstandig naamwoord | /ˈaːn.ʋɛi̯.zɪŋ/ | inlichting of voorschrift over hoe men moet handelen. |
| 1522 | breek | Werkwoord | /breːk/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van breken. |
| 1523 | Chinees | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ʃiˈneːs/ | eten uit restaurant waar Chinese gerechten worden gemaakt. |
| 1524 | uitvoeren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈœy̯tˌvu.rə(n)/ | meervoud verleden tijd van uitvaren. |
| 1525 | haatte | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van haten. | |
| 1526 | vrachtwagen | Zelfstandig naamwoord | /ˈvrɑxtˌʋaː.ɣə(n)/ | een wagen voor goederenvervoer. |
| 1527 | tank | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /tɑŋk/ | een vrij groot afsluitbaar en meestal metalen vat voor de opslag van vloeistoffen. |
| 1528 | vanzelf | Bijwoord | /vɑnzɛlf/ | zonder actieve keuzen of handelingen. |
| 1529 | schone | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈsxoː.nə/ | vrouw met een fraai uiterlijk. |
| 1530 | beschadigd | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /bəˈsxadəxt/ | voltooid deelwoord van beschadigen. |
| 1531 | realiseerde | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van realiseren. | |
| 1532 | verbranden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vərˈbrɑndə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1533 | e | Zelfstandig naamwoord | /eː/ | de vijfde toon van de chromatische, en de derde toon van de diatonische toonladder. |
| 1534 | klasse | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Tussenwerpsel | /ˈklɑ.sə/ | alle elementen van een wiskundige groep die door een similariteitstransformatie in elkaar over te voeren zijn. |
| 1535 | riep | Werkwoord | /rip/ | enkelvoud verleden tijd van roepen. |
| 1536 | onbekend | Bijvoeglijk naamwoord | /ˌɔn.bəˈkɛnt/ | van iets dat je het niet herkent. |
| 1537 | humor | Zelfstandig naamwoord | /ˈɦymɔr/ | het vermogen om grappig te zijn. |
| 1538 | theater | Zelfstandig naamwoord | /teːˈ(j)aːtər/ | een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden. |
| 1539 | koorts | Zelfstandig naamwoord | /koːrts/ | verhoging van de lichaamstemperatuur. |
| 1540 | overheen | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /oː.vərˈɦeːn/ | across, over. |
| 1541 | ingang | Zelfstandig naamwoord | /ˈɪŋɣɑŋ/ | een opening waar iets doorheen kan of waardoor men binnenkomt (toegang); vaak is dit tevens een uitgang. |
| 1542 | stabiel | Bijvoeglijk naamwoord | /staːˈbil/ | niet of slechts licht aan verandering onderhevig. |
| 1543 | openbare | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van openbaar. | |
| 1544 | dure | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈdy.rə/ | verbogen vorm van de stellende trap van duur. |
| 1545 | noodgeval | Zelfstandig naamwoord | /ˈnoːt.xəˌvɑl/ | een situatie waarbij groot gevaar of hinder kan ontstaan en waarbij snel ingrijpen noodzakelijk is. |
| 1546 | reageert | Werkwoord | /ˌrejaˈɣert/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reageren. |
| 1547 | uitweg | Zelfstandig naamwoord | overdrachtelijk een manier om uit een benarde situatie te geraken. | |
| 1548 | psychiater | Zelfstandig naamwoord | een arts die zich gespecialiseerd heeft in de psychiatrie. | |
| 1549 | gedraagt | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich gedragen. | |
| 1550 | datum | Zelfstandig naamwoord | /ˈdaːtʏm/ | een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar. |
| 1551 | correct | Bijvoeglijk naamwoord | /kɔˈrɛkt/ | burgerlijk, saai, onberispelijk uit moreel oogpunt, zonder af te wijken van de etiquette, politiek correct. |
| 1552 | gedraag | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich gedragen. | |
| 1553 | nood | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /noːt/ | levensbedreigende situatie waaruit men zichzelf niet meer kan redden en onmiddellijke hulp vereist is. |
| 1554 | wiet | Zelfstandig naamwoord | /ʋit/ | benaming voor de als roesmiddel gebruikte gedroogde toppen van de vrouwelijke hennepplant, Cannabis sativa. |
| 1555 | woning | Zelfstandig naamwoord | /ˈʋoː.nɪŋ/ | een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven. |
| 1556 | betekende | Werkwoord | /bə.ˈteː.kən.də/ | verbogen vorm van betekend, voltooid deelwoord van betekenen. |
| 1557 | instructies | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord instructie. | |
| 1558 | natuurlijke | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van natuurlijk. | |
| 1559 | wonden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈwɔndə(n)/ | meervoud verleden tijd van winden. |
| 1560 | afdrukken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɑfdrʏkə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord afdruk. |
| 1561 | netwerk | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈnɛt.ʋɛrk/ | stelsel van zaken of personen die nauw met elkaar in contact staan. |
| 1562 | info | Zelfstandig naamwoord | /ˈɪn.foː/ | informatie. |
| 1563 | periode | Zelfstandig naamwoord | /ˌpeːriˈjoːdə/ | hoeveelheid tijd période vrouwelijk vakantieperiode période/saison des vacances In de periode na de zomervakantie zijn d… |
| 1564 | uitziet | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitzien. | |
| 1565 | meende | Werkwoord | enkelvoud verleden tijd van menen. | |
| 1566 | doorlopen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /'dɔːrlopən/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord doorloop. |
| 1567 | simpele | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van simpel. | |
| 1568 | achtergrond | Zelfstandig naamwoord | /ˈɑx.tərˌɣrɔnt/ | figuurlijk, iets dat naar de achtergrond verdwijnt of raakt, iets dat uit de aandacht raakt (vaak doordat iets niet bela… |
| 1569 | bijzonders | Bijvoeglijk naamwoord | /biˈzɔn.dərs/ | partitief van de stellende trap van bijzonder. |
| 1570 | broeders | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord broeder. | |
| 1571 | dubbel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈdɵbəl/ | enkel twee keer double (dubl) alles dubbel zien voir double ruimschoots amplement Je hebt het dubbel en dwars verdiend!… |
| 1572 | afgewezen | Werkwoord | voltooid deelwoord van afwijzen. | |
| 1573 | kerstfeest | Zelfstandig naamwoord | /ˈkɛrstˌfeːst/ | een belangrijk christelijk feest in het kerkelijk jaar waarin de geboorte van Jezus-Christus gevierd wordt. |
| 1574 | lou | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˈlɑu/ | taal die in Papoea-Nieuw-Guinea gesproken wordt. |
| 1575 | hartstikke | Bijwoord | /ˈɦɑrtˌstɪ.kə/ | in bijzonder sterke mate. |
| 1576 | schuur | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /sxyr/ | een bijgebouw bij het huis of de boerderij om veldvruchten, landbouwproducten en -werktuigen in op te slaan. |
| 1577 | veronderstel | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veronderstellen. | |
| 1578 | emoties | Zelfstandig naamwoord | /eˈmo(t)sis/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord emotie. |
| 1579 | achterkant | Zelfstandig naamwoord | /ˈɑxtərˌkɑnt/ | achterzijde, keerzijde, kant tegenover de voorkant. |
| 1580 | schudden | Werkwoord | /ˈsxʏdə(n)/ | heen en weer bewegen van het hoofd als teken van instemming (van boven naar beneden) of ontkenning (van links naar recht… |
| 1581 | beschuldigd | Werkwoord | voltooid deelwoord van beschuldigen. | |
| 1582 | kwetsen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈkʋɛtsə(n)/ | beledigen, schofferen. |
| 1583 | negatief | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌneː.xaːˈtif/ | een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaar… |
| 1584 | arrestatie | Zelfstandig naamwoord | /ˌɑ.rɛˈstaː.(t)si/ | een aanhouding door de sterke arm der wet. |
| 1585 | communicatie | Zelfstandig naamwoord | /ˌkɔ.my.niˈkaː.(t)si/ | het uitwisselen van informatie waarbij zender, ontvanger, inhoud en communicatiemedium betrokken zijn. |
| 1586 | vloog | Werkwoord | /vlox/ | enkelvoud verleden tijd van vliegen. |
| 1587 | nachten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord nacht. | |
| 1588 | uitmaken | Werkwoord | /ˈœy̯tˌmaː.kə(n)/ | een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie. |
| 1589 | vermiste | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | iemand waarvan het niet zeker is wat ermee gebeurd is tijdens een ongeval, gevecht of andere tijd van levensgevaar. | |
| 1590 | hierbij | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ˈhierbɛi/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1591 | hebbes | Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel | /ˈhɛbəs/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1592 | allang | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /ɑˈlɑŋ/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1593 | trappen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtrɑpə(n)/ | met een krachtige beweging van de voet raken of verplaatsen# met een krachtige beweging van de voet het pedaal van een f… |
| 1594 | langskomen | Werkwoord | /lɑŋskomə(n)/ | gedurende een korte tijd zichtbaar of hoorbaar zijn. |
| 1595 | coma | Zelfstandig naamwoord | /ˈkoː.maː/ | vertekening in het beeld als lichtbundels schuin invallen, waarbij punten een wat vagere, meer ovale vorm krijgen. |
| 1596 | daad | Zelfstandig naamwoord | /daːt/ | doelbewust en doelgericht gepleegde handeling, vaak met name in negatieve zin (zoals in het strafrecht). |
| 1597 | kut | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Tussenwerpsel | /kʏt/ | gebruikt als eerste deel van samenstelling om het negatieve karakter van het tweede deel te versterken. |
| 1598 | knop | Zelfstandig naamwoord | /knɔp/ | klein, meestal rond, uitstekend deel van een apparaat bedoeld om in te drukken ter besturing ervan. |
| 1599 | bevriend | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /bəˈvrint/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1600 | geraken | Werkwoord | /ɣəˈraːkə(n)/ | in een toestand terechtkomen. |
| 1601 | creëren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /kreːˈeːrə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1602 | beslag | Zelfstandig naamwoord | /bəˈslɑx/ | kleine metalen elementen zoals krukken, knoppen, schilden, rozetten, sleutelgatplaatjes op deur of raam (Hang-en-sluitwe… |
| 1603 | artsen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord arts. | |
| 1604 | beet | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijwoord | /beːt/ | steek door de monddelen van een kaakloos wezen, zoals een insect. |
| 1605 | doodsbang | Bijvoeglijk naamwoord | /doːtsˈbɑŋ/ | zeer bevreesd. |
| 1606 | bewaar | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bewaren. | |
| 1607 | casino | Zelfstandig naamwoord | /kaːˈzi.noː/ | zaken die gekenmerkt worden door de (te) grote risico's die er een rol bij spelen. |
| 1608 | afschuwelijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ɑfˈsxyu̯ələk/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1609 | diefstal | Zelfstandig naamwoord | /ˈdif.stɑl/ | het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren. |
| 1610 | legende | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˌləˈɣɛn.də/ | tot de verbeelding sprekende beschrijving van een gebeurtenis uit het verleden die gangbaar is, maar waarvan de juisthei… |
| 1611 | grot | Zelfstandig naamwoord | /ɣrɔt/ | een onderaardse holte. |
| 1612 | proeven | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈpru.və(n)/ | onderzoeken hoe iets smaakt. |
| 1613 | gesprekken | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord gesprek. | |
| 1614 | grijpen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɣrɛi̯pə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord grijp. |
| 1615 | oppakken | Werkwoord | /ˈɔpɑkə(n)/ | iemand gevangen nemen. |
| 1616 | terugtrekken | Werkwoord | een eerder binnengetroken of veroverd gebied verlaten. | |
| 1617 | applaus | Zelfstandig naamwoord | /ɑˈplɑu̯s/ | geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering. |
| 1618 | zoenen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈzu.nə(n)/ | met de mond liefkozen. |
| 1619 | toren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtoː.rə(n)/ | een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren. |
| 1620 | eeuwen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord eeuw. | |
| 1621 | eigendom | Zelfstandig naamwoord | /ˈɛi̯ɣə(n)ˌdɔm/ | het recht op de heerschappij over een zaak, de omstandigheid dat een zaak iemand toebehoort. |
| 1622 | verschrikkelijke | Bijvoeglijk naamwoord | /vər.ˈsxrɪ.kə.lə.kə/ | verbogen vorm van de stellende trap van verschrikkelijk. |
| 1623 | criminelen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord crimineel. | |
| 1624 | bood | Werkwoord | /bot/ | enkelvoud verleden tijd van bieden. |
| 1625 | verplicht | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈplɪxt/ | door iets of iemand gedwongen. |
| 1626 | zieke | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈzi.kə/ | iemand die ziek is. |
| 1627 | beweert | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beweren. | |
| 1628 | strafblad | Zelfstandig naamwoord | een registratie van de wetsovertredingen waar iemand voor veroordeeld is. | |
| 1629 | voorbereiden | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈvoːr.bəˌrɛi̯.də(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1630 | vijftig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈfɛi̯ftəx/ | dat wat in een (rang)ordening met 50 is aangeduid. |
| 1631 | zone | Zelfstandig naamwoord | /ˈzɔː.nə/ | bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied. |
| 1632 | loslaten | Werkwoord | /ˈlɔsˌlaː.tə(n)/ | niet langer ergens emotioneel bij betrokken zijn. |
| 1633 | portemonnee | Zelfstandig naamwoord | /ˌpɔr.tə.mɔˈneː/ | meestal van leder vervaardigde kleine buidel [1] waarin men munten, papiergeld en andere kleine dingen bewaart. |
| 1634 | longen | Zelfstandig naamwoord | /ˈlɔŋə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord long. |
| 1635 | ingehuurd | Werkwoord | /ˈɪn.ɣə.ɦyrt/ | voltooid deelwoord van inhuren. |
| 1636 | meegebracht | Werkwoord | /ˈmeɣəˌbrɑxt/ | voltooid deelwoord van meebrengen. |
| 1637 | gebrek | Zelfstandig naamwoord | /ɣəˈbrɛk/ | een defect, een mankement. |
| 1638 | ruilen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈrœy̯.lə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord ruil. |
| 1639 | mankeert | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mankeren. | |
| 1640 | zwakke | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van zwak. | |
| 1641 | aantrekkelijk | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˌaːnˈtrɛ.kə.lək/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1642 | verplaatst | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verplaatsen. | |
| 1643 | no | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Uitdrukking | /nɔ/ | initialism of noordoost; NE. |
| 1644 | uitgeschakeld | Werkwoord | voltooid deelwoord van uitschakelen. | |
| 1645 | vliegtuigen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord vliegtuig. | |
| 1646 | tja | Tussenwerpsel | /ca/ | drukt uit dat men dit eigenlijk had kunnen weten. |
| 1647 | dronk | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /drɔŋk/ | toost, toast. |
| 1648 | riskeren | Werkwoord | /ˌrɪsˈkeː.rə(n)/ | bewust de kans lopen dat iets onaangenaams gebeurt risquer Door valse gegevens op te geven, riskeer je een flinke boete… |
| 1649 | weghalen | Werkwoord | /ˈwɛxhalə(n)/ | van zijn plaats halen. |
| 1650 | passie | Zelfstandig naamwoord | /ˈpɑ.si/ | een zaak, onderwerp, activiteit of hobby waar iemand veel interesse in heeft en veel tijd en inspanningen aan wil bested… |
| 1651 | kandidaat | Zelfstandig naamwoord | /ˌkɑn.diˈdaːt/ | iemand die zich beschikbaar geteld heeft voor een baan of functie. |
| 1652 | smeerlap | Zelfstandig naamwoord | /ˈsmeːr.lɑp/ | vette lap waarmee men iets insmeert om wrijving te verminderen. |
| 1653 | sigaretten | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord sigaret. | |
| 1654 | toont | Werkwoord | /tont/ | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tonen. |
| 1655 | serie | Zelfstandig naamwoord | /ˈseːri/ | delen van een geheel in een bepaalde volgorde. |
| 1656 | status | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈstaː.tʏs/ | actueel overzicht van aandoeningen en behandelingen, dossier over patiënt in ziekenhuis. |
| 1657 | voorzien | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vɔːr.'zin/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1658 | mooier | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈmoːjər/ | onverbogen vorm van de vergrotende trap van mooi. |
| 1659 | rit | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /rɪt/ | een korte reis te paard, op een fiets of in een voertuig. |
| 1660 | bescherm | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beschermen. | |
| 1661 | discussie | Zelfstandig naamwoord | /ˌdɪsˈkʏ.si/ | een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld. |
| 1662 | medicijn | Zelfstandig naamwoord | /meː.diˈsɛi̯n/ | chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent. |
| 1663 | rijbewijs | Zelfstandig naamwoord | /ˈrɛi̯.bəˌʋɛi̯s/ | een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen. |
| 1664 | televisie | Zelfstandig naamwoord, Bijwoord | /teːləˈvizi/ | communicatiemedium dat het versturen van beelden en geluiden mogelijk maakt. |
| 1665 | meld | Werkwoord | /mɛlt/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van melden. |
| 1666 | verzonnen | Werkwoord | meervoud verleden tijd van verzinnen. | |
| 1667 | h | Zelfstandig naamwoord, Uitdrukking | /ɦaː/ | hoofdletter van de h, de achtste letter van het alfabet. |
| 1668 | aangeboden | Werkwoord | /ˈaŋɣəˌbodə(n)/ | voltooid deelwoord van aanbieden. |
| 1669 | ellen | Zelfstandig naamwoord | /ˈɛlən/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord el. |
| 1670 | ministerie | Zelfstandig naamwoord | /ˌmi.nɪsˈteː.ri/ | een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd. |
| 1671 | daden | Zelfstandig naamwoord | /ˈdaːdə(n)/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord daad. |
| 1672 | krankzinnig | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /kraŋkˈsinəx/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1673 | populair | Bijvoeglijk naamwoord | /poːpyˈlɛːr/ | algemeen begrijpelijk (zie bijv. -> populairwetenschappelijk). |
| 1674 | indianen | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord indiaan. | |
| 1675 | verzekering | Zelfstandig naamwoord | /vərˈzeː.kə.rɪŋ/ | overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d. door het betalen van een premie aan degene die… |
| 1676 | koelkast | Zelfstandig naamwoord | /ˈkul.kɑst/ | een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie, waarin men consumptiemiddelen kan plaatsen die koel moeten… |
| 1677 | duistere | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈdœy̯.stə.rə/ | verbogen vorm van de stellende trap van duister. |
| 1678 | pest | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /pɛst/ | Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis, die verspreid wordt door vlooien die me… |
| 1679 | overgeven | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈoː.vərˌɣeː.və(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1680 | arresteer | Werkwoord | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arresteren. | |
| 1681 | nut | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /nʏt/ | baat, voordeel; een bijdrage aan het bereiken van een doel. |
| 1682 | stervende | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ˈstɛrvəndə/ | verbogen vorm van stervend, het onvoltooid deelwoord van sterven. |
| 1683 | ondergoed | Zelfstandig naamwoord | /ˈɔndərˌɣut/ | de bladeren van de tabaksplant vlak boven de grond of net daarboven, die een tabak van mindere kwaliteit opleveren. |
| 1684 | euro | Zelfstandig naamwoord | /ˈøːroː/ | Macropus robustus, ook gekend als wallaroe of bergkangoeroe, een kangoeroe uit het geslacht Macropus die in grote delen… |
| 1685 | incident | Zelfstandig naamwoord | /ˌɪn.siˈdɛnt/ | twistpunt naast het hoofdgeschil in een geding [1]. |
| 1686 | zing | Werkwoord | /zɪŋ/ | eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zingen. |
| 1687 | mijzelf | Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord | /mɛi̯ˈzɛlf/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1688 | homer | Zelfstandig naamwoord | /ˈhomər/ | slag die de slagman in staat stelt in een keer langs alle honken te lopen. |
| 1689 | commentaar | Zelfstandig naamwoord | /ˌkɔ.mɛnˈtaːr/ | toelichting of verklaring, uitleg. |
| 1690 | ervaren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɛrˈvaːrə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1691 | doorzoeken | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˌdoːrˈzukə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1692 | vak | Zelfstandig naamwoord | /vɑk/ | ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak. |
| 1693 | vriendjes | Zelfstandig naamwoord | verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord vriend. | |
| 1694 | dorst | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /dɔrst/ | een groot verlangen naar iets, zoals geld, goud of succes. |
| 1695 | koe | Zelfstandig naamwoord | /ku/ | wijfje van andere grote zoogdieren, b.v. de walvis, neushoorn, olifant. |
| 1696 | tenslotte | Bijwoord | /tɛnˈslɔtə/ | in the end, finally, in conclusion, after all. |
| 1697 | vandaar | Bijwoord | /vɑnˈdar/ | duidt een causaal verband aan met een voorafgaande zinsnede. |
| 1698 | jonger | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈjɔŋər/ | onverbogen vorm van de vergrotende trap van jong. |
| 1699 | flinke | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van flink. | |
| 1700 | check | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /tʃɛk/ | een controlerende actie. |
| 1701 | titel | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtitəl/ | academische, adellijke of sportieve aanduiding van een persoon. |
| 1702 | privacy | Zelfstandig naamwoord | /ˈpraːi̯.vəˌsi/ | de sfeer van persoonlijke afzonderlijkheid hetgeen betekent dat iemand dingen kan doen zonder dat de buitenwereld daar w… |
| 1703 | heelal | Zelfstandig naamwoord | /ɦeːˈlɑl/ | ruimte waarin de aarde, planeten en sterren zich bevinden univers mannelijk espace mannelijk. |
| 1704 | verspillen | Werkwoord | /vərˈspɪ.lə(n)/ | door nalatigheid verloren laten gaan; niet nuttig gebruiken. |
| 1705 | speelgoed | Zelfstandig naamwoord | /ˈspeːl.ɣut/ | één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen. |
| 1706 | dagboek | Zelfstandig naamwoord | /ˈdɑx.buk/ | een boek waarin men dagelijks zijn wederwaardigheden neerschrijft. |
| 1707 | voorwaarden | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord voorwaarde. | |
| 1708 | gemerkt | Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | voltooid deelwoord van merken. | |
| 1709 | tape | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈtepə/ | magneetband van een opnameapparaat bijv. audiotape, cassettetape, filmtape, mastertape, videotape. |
| 1710 | hol | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /ɦɔl/ | ondergrondse woonruimte of schuilplaats van bepaalde diersoorten. |
| 1711 | bewustzijn | Zelfstandig naamwoord | /bəˈʋʏstˌsɛi̯n/ | een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat en besef heeft van het eigen ik, wakker. |
| 1712 | vlag | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /vlɑx/ | lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie. |
| 1713 | werkten | Werkwoord | /ʋɛrktə(n)/ | meervoud verleden tijd van werken. |
| 1714 | moderne | Bijvoeglijk naamwoord | /ˈmoːˈdɛrnə/ | verbogen vorm van de stellende trap van modern. |
| 1715 | rollen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈrɔ.lə(n)/ | Met rollen wordt in de luchtvaart een beweging om de langsas aangeduid. |
| 1716 | angel | Zelfstandig naamwoord | /ˈɑŋəl/ | orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken. |
| 1717 | gespannen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /ɣə'spɑnɘ/ | meervoud van het zelfstandig naamwoord gespan. |
| 1718 | terugkeren | Werkwoord | /t(ə)ˈrʏxkerə(n)/ | opnieuw verschijnen na gedurende enige tijd te zijn weggeweest. |
| 1719 | crisis | Zelfstandig naamwoord | /ˈkri.zɪs/ | een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt maar die in principe van voorbij… |
| 1720 | zoektocht | Zelfstandig naamwoord | /ˈzukˌtɔxt/ | een reis die men onderneemt op zoek naar iets. |
| 1721 | emotioneel | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /eːˌmoː.ʃoːˈneːl/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1722 | overkant | Zelfstandig naamwoord | /ˈovərˌkɑnt/ | de andere zijde van een weg of water. |
| 1723 | premier | Zelfstandig naamwoord | /prəˈmjeː/ | de minister die het kabinet aanvoert. |
| 1724 | greep | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ɣrep/ | grijpende beweging om iets te omvatten, te bemachtigen. |
| 1725 | eenheden | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord eenheid. | |
| 1726 | beseft | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beseffen. | |
| 1727 | rechtstreeks | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /rɛx'streks/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1728 | love | Werkwoord | /loːv/ | aanvoegende wijs van loven. |
| 1729 | weigeren | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈʋɛi̯.ɣə.rə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1730 | avontuur | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /aːvɔnˈtyr/ | een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat, onverwacht gebeurt en gevaarlijk zijn. |
| 1731 | lust | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /lʏst/ | behoefte of verlangen (zin om) iets te doen. |
| 1732 | tevoorschijn | Bijwoord | /təˈvorsxɛin/ | in het zicht, zichtbaar. |
| 1733 | roman | Zelfstandig naamwoord | /roːˈmɑn/ | een lang soort verhaal in boekvorm. |
| 1734 | glimlach | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɣlɪm.lɑx/ | een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt. |
| 1735 | groeit | Werkwoord | tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groeien. | |
| 1736 | ras | Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /rɑs/ | een vermeende hoofdgroep van mensen die op basis van uiterlijke (fenotypische) en innerlijk-geestelijke eigenschappen, e… |
| 1737 | plat | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord | /plɑt/ | van weinig culturele diepgang getuigend, boers, dialectisch. |
| 1738 | goedkoop | Bijvoeglijk naamwoord | /ɣutˈkoːp/ | eenvoudig en/of slecht bedacht. |
| 1739 | strak | Bijvoeglijk naamwoord | /strɑk/ | streng, strikt, zonder dat er veel vrijheid wordt geboden. |
| 1740 | spanning | Zelfstandig naamwoord | /ˈspɑ.nɪŋ/ | een toestand van grote aandacht, meestal bij onzekerheid over de afloop van een gebeurtenis. |
| 1741 | inbraak | Zelfstandig naamwoord | /ˈɪnˌbraːk/ | het zich, met geweld, onbevoegd toegang verschaffen tot een gebouw. |
| 1742 | karakter | Zelfstandig naamwoord | /ˌkaːˈrɑk.tər/ | een glief zoals een letter, figuur, symbool. |
| 1743 | opzet | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈɔpsɛt/ | het onderdeel zijn van een zo gewenst plan. |
| 1744 | lessen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord | /ˈlɛsə(n)/ | stad en gemeente in het noorden van de Belgische provincie Henegouwen. |
| 1745 | college | Zelfstandig naamwoord | /ˌkɔˈleː.ʒə/ | groep mensen die een bestuur vormen comité (kɔmite) mannelijk college van burgemeester en wethouders maire et ses adjoin… |
| 1746 | boy | Zelfstandig naamwoord | /bɔi̯/ | jongensnaam. |
| 1747 | ernstige | Bijvoeglijk naamwoord | verbogen vorm van de stellende trap van ernstig. | |
| 1748 | geweren | Zelfstandig naamwoord | meervoud van het zelfstandig naamwoord geweer. | |
| 1749 | verlegen | Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord | /vərˈleːɣə(n)/ | (Zelfstandig naamwoord). |
| 1750 | toestaan | Werkwoord | /ˈtustan/ | goed vinden dat iets gebeurt permettre autoriser niet toestaan dat je dochter alleen in het donker over straat gaat ne p… |