HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
Terug naar zoeken

winter

Zelfstandig naamwoord mannelijk CEFR B1 Frequent
ˈʋɪn.tər

Definities

het vierde van de vier seizoenen: op het noordelijk halfrond van 21 december tot 20 maart, op het zuidelijk halfrond van 21 juni tot 20 september

Equivalenten

Englishwinter
Españolinvierno
Françaishiver
41 andere talen
العربيةشتاء
Bosanskizima
Catalàhivern
Češtinazima
Cymraeggaeaf
Danskvinter
DeutschWinter
Ελληνικάχειμώνας
Esperantovintro
Eestitalv
Euskaranegu
فارسیزمستان
Suomitalvi
Gaeilgegeimhreadh
Galegoinverno
עבריתחורף
Hrvatskizima
Magyartél
Bahasa Indonesiamusim dingin
Íslenskavetur
Italianoinverno
日本語
한국어겨울
Lietuviųžiema
Latviešuziema
Polskizima
Portuguêsinverno
Românăiarnă
Русскийзима
Slovenščinazima
Shqipdimër
Српскиzimaзима
Svenskavinter
Türkçekış
Українськазима
繁體中文冬天冬季

Voorbeelden

“De winter van dat jaar was bijzonder koud.”

The winter of that year was exceptionally cold.

Het wintertje was mild en aangenaam.”

The short winter was mild and pleasant.

Zou hij hier in de winter zijn geweest? Het zou kunnen; nu Nella dwars door de boomgaard heen loopt, kan ze het zich niet meer herinneren.”
Een geliefde vakantiestad voor skiërs in de winter en watersportliefhebbers in de zomer.”

ERK-niveau

B1
Gemiddeld
Dit woord behoort tot de ERK B1-woordenschat — niveau gemiddeld.
See all B1 Nederlands words →

Zie ook

Leer dit woord in context

Bekijk winter gebruikt in echte gesprekken in onze gratis Spaanse cursus.

Gratis cursus starten

Know this word better than we do? Language is a living thing — help us keep it growing. Collaborate with Babel Free