HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← kunnen — definition

Conjugation of kunnen

Regular CEFR A1
ˈkʏnə(n)

het intrinsieke vermogen, de eigenschap, aanleg, neiging, geschiktheid e.d. voor iets bezitten Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik kan
jij / je kunt
hij / zij / het kan
wij / we kunnen
jullie kunnen
zij / ze kunnen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik kon
jij / je kon
hij / zij / het kon
wij / we konden
jullie konden
zij / ze konden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik kunne
jij / je kunne
hij / zij / het kunne
wij / we kunnen
jullie kunnen
zij / ze kunnen
Aanvoegende wijs — verleden
ik konde
jij / je konde
hij / zij / het konde
wij / we konden
jullie konden
zij / ze konden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij kan
jullie (archaïsch) kunt

Onbepaalde vormen

Infinitief
kunnen
Tegenwoordig deelwoord
kunnend
Voltooid deelwoord
gekund

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary