HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← Terug naar zoeken

Betekenis van kunnen | Babel Free

Werkwoord CEFR A1 Common
ˈkʏnə(n)

Definities

  1. in staat zijn, het vermogen hebben tot iets
    modal, transitive, unergative, verb
  2. het intrinsieke vermogen, de eigenschap, aanleg, neiging, geschiktheid e.d. voor iets bezitten
    modal, verb
  3. mogelijkerwijs in een bepaalde veronderstelde toestand verkeren
    modal, verb
  4. in de gelegenheid zijn
    modal, verb
  5. mogelijk zijn
    impersonal
  6. zichzelf tot verbazing van de spreker ergens toe weten te zetten
    modal, verb
  7. drukt het geoorloofd, betamelijk, gepast e.d. van iets zijn uit
    modal, verb
  8. ± mogen [1]/moeten
    modal, verb
  9. kennen
    informal, transitive

Voorbeelden

“Hij kon goed rennen, omdat hij een getraind sportbeoefenaar was.”

He could run well, because he was a trained sportsman.

“Je kan me altijd bellen.”

You can always call me.

“Dat kan niet.”

That is not possible.

“Ik kan mijn huis niet meer in!”

I cannot get into my house anymore!

“Ik kan dat niet.”

I am not able to do that.

“Ik kan morgenavond niet.”

I will not be available tomorrow night.

“Dat kan hij best.”
“Kun je niet slapen?”
“De motor kan vaak meer dan dat je denkt.”
“Heffingen maakten Chinese auto's niet duurder: Afgelopen zomer voerde de EU nog heffingen in om de Europese auto-industrie te beschermen tegen de veel goedkopere auto's uit China. Maar volgens brancheorganisatie Bovag hebben de heffingen niet geleid tot hogere prijzen voor Chinese elektrische auto's. "De Chinese bedrijven hebben de hogere prijzen kennelijk weten te absorberen. Dat laat ook zien hoe efficiënt zij auto's kunnen produceren", zegt Geert Brummelhuis van Bovag.”
“Pas op, dat kan breken.”
“Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.”
“Omdat overal besmettelijke Giardia-parasieten in het water konden zitten, was het noodzakelijk om het water te zuiveren alvorens het te drinken. Van deze parasieten kun je goed ziek worden.”
“Hij kan zijn verdwaald.”
“Ik kan het natuurlijk mis hebben.”
“Ik kan vandaag niet komen.”
“Dat kan misschien een andere keer [gebeuren].”
“In een urinoir kan het ook soms moeilijk zijn om met iemand naast je te plassen. Hier was het nog lastiger omdat er twee mensen naast mij lagen, waarvan één tot overmaat van ramp de enige aanwezige vrouw was.”
“Toen ook de kinderen mijn rare plan accepteerden stonden alle lichten ineens op groen. De voorbereidingen konden beginnen.”
“Hoe kon je!”
“Dat kun je toch niet doen!”
“Je kunt nu gaan.”

ERK-niveau

A1
Beginner
Dit woord behoort tot de ERK A1-woordenschat — niveau beginner.
See all A1 Nederlands words →

Zie ook

Leer dit woord in context

Bekijk kunnen gebruikt in echte gesprekken in onze gratis Spaanse cursus.

Gratis cursus starten

Know this word better than we do? Language is a living thing — help us keep it growing. Collaborate with Babel Free