huis
Definities
- gebouw bestemd om in te wonen
- geheel van de nakomelingen van één voorvader, verwijzing naar iemands afkomst
- geheel van personen die officieel tot een vorstelijke familie worden gerekend
- eenvoudige onderneming van twee of meer personen
- iets wat gemaakt is om een bepaalde inhoud te bevatten
- zetel van een belangrijk persoon, bedrijf of instelling
- elk van de twaalf sectoren van een horoscoop die te maken hebben met verschillende levensgebieden
Equivalenten
41 andere talen
Afrikaanshuis
Българскикъ́ща
Catalàcasa
Cymraegtŷ
Danskhus
DeutschHaus
Ελληνικάσπίτι
Esperantodomo
Eestimaja
Euskaraetxe
فارسیخانه
Suomitalo
עבריתבית
हिन्दीमकान
Magyarház
Bahasa Indonesiarumah
Íslenskahús
Italianocasa
日本語家
한국어집
Latinadomus
Lietuviųnamas
Latviešumāja
Polskidom
Portuguêscasa
Românăcasa
Русскийдом
Slovenčinadom
Shqipshtëpi
Svenskahus
Kiswahilinyumba
Türkçeev
中文房子
繁體中文房子
Voorbeelden
“Ik woon in een klein huis aan de rand van de stad.”
I live in a small house on the outskirts of the city.
“We gaan⟳ dit weekend naar het huis van mijn ouders.”
We are going to my parents' home this weekend.
“Ze hebben⟳ een mooi nieuw huis gekocht in de buurt.”
They bought a beautiful new residence in the neighborhood.
“De Oranjes zijn⟳ een belangrijk koninklijk huis in Nederland.”
The House of Orange is an important royal dynasty in the Netherlands.
“Het koninklijk huis wordt vertegenwoordigd door de koning en koningin.”
The royal house is represented by the king and queen.
“Het wetsvoorstel werd besproken en goedgekeurd in de Tweede Kamer van het huis.”
The bill was discussed and approved in the Second Chamber of the legislative assembly.
“Het debat in het huis duurde de hele dag en leidde tot een beslissing.”
The debate in the house lasted all day and resulted in a decision.
“De telefoon is voorzien⟳ van een stevige aluminium huis voor bescherming.”
The phone is equipped with a sturdy aluminum casing for protection.
“De computer wordt geleverd met een kunststof huisje voor de componenten.”
The computer comes with a plastic housing for the components.
“Zij wonen⟳ in een groot huis.”
“Had ik de tocht niet beter 10 jaar kunnen⟳ uitstellen totdat ze uit huis zouden zijn⟳?”
“Die mensen zijn⟳ alle afstammeling van het huis de Vries.”
“Het huis van Oranje.”
“Producten zijn⟳ te koop bij ons huis.”
“Het huis van de kogel.”
“Het Witte Huis, het Anne Frankhuis, Huis ten Bosch, het Holland-Heinekenhuis.”
“Het eerste huis van de horoscoop vertelt je meer over iemands fysieke verschijning”
ERK-niveau
A1
Beginner
Dit woord behoort tot de ERK A1-woordenschat — niveau beginner.
Dit woord behoort tot de ERK A1-woordenschat — niveau beginner.
Zie ook
Know this word better than we do? Language is a living thing — help us keep it growing. Collaborate with Babel Free