HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← Terug naar zoeken

Betekenis van huis | Babel Free

Zelfstandig naamwoord CEFR A1 Common
ɦœy̯s

Definities

  1. gebouw bestemd om in te wonen
  2. geheel van de nakomelingen van één voorvader, verwijzing naar iemands afkomst
  3. geheel van personen die officieel tot een vorstelijke familie worden gerekend
  4. eenvoudige onderneming van twee of meer personen
  5. iets wat gemaakt is om een bepaalde inhoud te bevatten
  6. zetel van een belangrijk persoon, bedrijf of instelling
  7. elk van de twaalf sectoren van een horoscoop die te maken hebben met verschillende levensgebieden

Equivalenten

Bosanski čaša plaće
English home house place
Español casa
Hrvatski čaša plaće
Српски čaša plaće

Voorbeelden

“Ik woon in een klein huis aan de rand van de stad.”

I live in a small house on the outskirts of the city.

“We gaan dit weekend naar het huis van mijn ouders.”

We are going to my parents' home this weekend.

“Ze hebben een mooi nieuw huis gekocht in de buurt.”

They bought a beautiful new residence in the neighborhood.

“De Oranjes zijn een belangrijk koninklijk huis in Nederland.”

The House of Orange is an important royal dynasty in the Netherlands.

“Het koninklijk huis wordt vertegenwoordigd door de koning en koningin.”

The royal house is represented by the king and queen.

“Het wetsvoorstel werd besproken en goedgekeurd in de Tweede Kamer van het huis.”

The bill was discussed and approved in the Second Chamber of the legislative assembly.

“Het debat in het huis duurde de hele dag en leidde tot een beslissing.”

The debate in the house lasted all day and resulted in a decision.

“De telefoon is voorzien van een stevige aluminium huis voor bescherming.”

The phone is equipped with a sturdy aluminum casing for protection.

“De computer wordt geleverd met een kunststof huisje voor de componenten.”

The computer comes with a plastic housing for the components.

“Zij wonen in een groot huis.”
“Had ik de tocht niet beter 10 jaar kunnen uitstellen totdat ze uit huis zouden zijn?”
“Die mensen zijn alle afstammeling van het huis de Vries.”
“Het huis van Oranje.”
“Producten zijn te koop bij ons huis.”
“Het huis van de kogel.”
“Het Witte Huis, het Anne Frankhuis, Huis ten Bosch, het Holland-Heinekenhuis.”
“Het eerste huis van de horoscoop vertelt je meer over iemands fysieke verschijning”

ERK-niveau

A1
Beginner
Dit woord behoort tot de ERK A1-woordenschat — niveau beginner.
See all A1 Nederlands words →

Zie ook

Leer dit woord in context

Bekijk huis gebruikt in echte gesprekken in onze gratis Spaanse cursus.

Gratis cursus starten

Know this word better than we do? Language is a living thing — help us keep it growing. Collaborate with Babel Free