HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← Dutch Dictionary
CEFR Level
A1

Dutch — Beginner Vocabulary

495 words

Can understand and use familiar everyday expressions and very basic phrases.

# Word Type IPA Definition
1 ik Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /ɪk/ nominatief (onderwerp), verwijst naar de spreker of schrijver met uitsluiting van anderen.
2 je Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /jə/ Initialism of Jōmon Era.
3 het Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /(ɦ)ət/ A heterosexual person.
4 de Zelfstandig naamwoord, Voorzetsel, Lidwoord /də/ The name of the Cyrillic script letter Д / д.
5 dat Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Voegwoord, Lidwoord /dɑt/ digital audio tape, een digitale geluidsband.
6 is Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Uitdrukking /ɪs/
7 een Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Lidwoord /ən/ enkel iets of iemand (als tegenstelling met meerdere).
8 niet Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijwoord /nit/ ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'.
9 en Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel, Voegwoord, Tussenwerpsel /ɛn/ Abbreviation of English.
10 van Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /vɑn/ meisjesnaam.
11 wat Bijwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /ʋɑt/ met insluiting van antecedent: datgene wat.
12 we Voornaamwoord /ʋə/ rechtstreekse aanspreekvorm als alternatief voor jij/je, meestal met een erg betuttelende/minachtende ondertoon.
13 in Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /ɪn/ <je gebruikt dit woord als vast voorzetsel bij andere woorden> en dans à in slaap vallen s'endormir de handel in a…
14 ze Voornaamwoord /zə/ clitische vorm van zij; derde persoon vrouwelijk enkelvoud, onderwerp.
15 hij Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /ɦɛi̯/ (Zelfstandig naamwoord).
16 te Bijwoord, Voorzetsel, Lidwoord /tə/ in grotere mate of hoeveelheid dan wenselijk is.
17 zijn Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /zɛi̯n/ ~ te drukt een soort van verplichting uit, of iets dat noodzakelijk is of voor de hand ligt.
18 op Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /ɔp/ Clipping of opponent.
19 maar Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijwoord, Voegwoord /maːr/ nevenschikkend voegwoord dat een tegenwerping inleidt, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegensp…
20 er Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /ɛr/ An occurrence of the interjection "er".
21 met Zelfstandig naamwoord, Voorzetsel /mɛt/ gebruik makend van, door middel van, met behulp van.
22 voor Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel, Voegwoord /voːr/ lange, smalle en ondiepe insnijding in een akker, gewoonlijk door een ploeg aangebracht.
23 die Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /di/ To be affected by dieback.
24 heb Werkwoord /ɦɛp/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hebben.
25 ME Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /mə/ clitische (onbenadrukte) vorm van mij.
26 als Zelfstandig naamwoord, Voorzetsel, Voegwoord /aː.ɛˈlɛs/ neurologische ziekte waarbij het belangrijkste kenmerk is dat de motorische zenuwcellen in het ruggenmerg, de hersenstam…
27 was Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ʋɑs/ vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd van ergatieve werkwoorden.
28 ben Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /bɛn/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zijn na inversie.
29 om Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel, Voegwoord /ɔm/ aanduiding van de overheidsdienst die voor de rechter straf eist tegen een wetsovertreder.
30 dit Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /dɪt/ a diminutive of the female given name Dirkje.
31 mijn Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /mɛi̯n/ een plaats waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of in een open groeve.
32 aan Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /aːn/ A small river in Southland, South Island, New Zealand, flowing into the Foveaux Strait.
33 u Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /y/ de eenentwintigste letter van het alfabet Zie ook het artikel over de letter u op Wikipedia.
34 dan Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel, Voegwoord /dɑn/ elk van de tien graden van behendigheid bij Japanse vecht- of denksporten.
35 n Zelfstandig naamwoord, Uitdrukking /ɛn/ hoofdletter van de n, de veertiende letter van het alfabet.
36 naar Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /naːr/ (Zelfstandig naamwoord).
37 weet Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ʋeːt/ daad van het weten, wetenschap, kennis.
38 hier Bijwoord /ɦir/ als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord. Het vervangt een aanwijzend voornaamwoord (nabij) deze, dit.
39 zo Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voegwoord, Tussenwerpsel, Uitdrukking /zoː/ over niet al te lange tijd.
40 jij Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voornaamwoord /jɛi̯/ (Zelfstandig naamwoord).
41 kan Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /kɑn/ kan als dat in een zin bijzondere nadruk krijgt in tegenstelling met een ander zinsdeel of een eerdere uitspraak.
42 geen Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /ɣeːn/ (Zelfstandig naamwoord).
43 nog Bijwoord /nɔx/ vanaf dit moment (duidt iets overblijvends aan).
44 ja Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel /jaː/ duidt bevestiging, instemming, toestemming, inwilliging of toegeving aan.
45 hem Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voornaamwoord /ɦɛm/ a village in Drechterland, North Holland, Netherlands.
46 heeft Werkwoord /ɦeːft/ tweede persoon (alleen U) en derde persoon enkelvoud van hebben.
47 wel Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel /ʋɛl/ een plaats waar water uit de grond tevoorschijn komt.
48 moet Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /mut/ enkelvoud tegenwoordige tijd van moeten.
49 wil Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ʋɪl/ de bereidheid of zin om iets te doen.
50 hebben Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈɦɛbə(n)/ het bezit.
51 goed Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ɣut/ kwaliteit bezittend, aan verwachtingen voldoend.
52 haar Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /ɦaːr/ bezit aanduidend door een derde persoon vrouwelijk enkelvoud.
53 nee Bijwoord, Tussenwerpsel /neː/
54 hoe Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voornaamwoord, Voegwoord /ɦu/ Any of various tools for scraping, scratching, digging, or stirring soil or other materials.
55 nu Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voegwoord, Tussenwerpsel /ny/ om een zeker inhoudelijk (bijv. tegenstellend) verband aan te geven tussen het voorgaande en hetgeen meteen erna volgt.
56 waar Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voegwoord /ʋaːr/ voorzichtigheid, aandacht, hoede (-> waarschuwen).
57 over Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel, Tussenwerpsel /ˈoː.vər/ (Zelfstandig naamwoord).
58 ook Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /oːk/ Used to represent the sound of the cry of an ape or monkey.
59 dóén Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel /ˈdun/ maakt van een ergatief werkwoord een causatieve constructie In Belgisch-Nederlands wordt deze betekenis meer gebruikt, i…
60 uit Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /œy̯t/ bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord.
61 zou Werkwoord /zɑu̯/ enkelvoud verleden tijd van zullen.
62 ga Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ɣaː/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gaan.
63 of Voegwoord /ɔf/ en anders : gebruikt om een keuze aan te geven, waarbij alle keuzemogelijkheden expliciet worden genoemd.
64 gaan Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /[xaːn]/ zich in een bepaalde richting bewegen, meestal van de spreker af.
65 bent Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /bɛnt/ pijpenstrootje, naam van grassoort Molinia caerulea.
66 mij Voornaamwoord, Uitdrukking /mɛi̯/ accusatief en datief van ik, eerste persoon enkelvoud.
67 bij Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /bɛi̯/ benaming voor vliegende insecten uit het geslacht Antophila die leven van nectar en honing.
68 al Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voornaamwoord, Voorzetsel, Voegwoord, Lidwoord /ɑl/ all, all of.
69 ons Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /ɔns/ 1e persoon meervoud als (direct of indirect) object of na een voorzetsel.
70 had Werkwoord /ɦɑt/ vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd.
71 iets Bijwoord, Voornaamwoord /its/ een onbepaalde of niet-gespecificeerde, stoffelijke of onstoffelijke zaak; een ongenoemd voorwerp.
72 daar Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voegwoord /daːr/ (Zelfstandig naamwoord).
73 jullie Voornaamwoord, Lidwoord /ˈjʏli/ accusatief (lijdend voorwerp).
74 gaat Werkwoord /xat/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gaan.
75 zal Werkwoord /zɑl/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zullen.
76 m Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /ɛm/ hoofdletter van de m, de dertiende letter van het alfabet.
77 hebt Werkwoord /ɦɛpt/ tweede persoon enkelvoud van hebben.
78 kom Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /kɔm/ Atlantische Congotaal gesproken door 230 duizend mensen in het noordwesten van Kameroen.
79 waarom Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /ʋaːˈrɔm/ tot welk doel, met welke reden.
80 meer Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Lidwoord /meːr/ groot water dat helemaal omringd is door land.
81 deze Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /ˈdeːzə/ (Zelfstandig naamwoord).
82 moeten Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈmutə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord moet.
83 t Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /teː/ hoofdletter van de t, de twintigste letter van het alfabet.
84 laat Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /laːt/ in de middeleeuwen een halfvrije boer [1] die levenslang verplicht was op een bepaalde plaats bepaalde werkzaamheden voo…
85 kunnen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈkʏnə(n)/ het intrinsieke vermogen, de eigenschap, aanleg, neiging, geschiktheid e.d. voor iets bezitten.
86 dus Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voegwoord /dʏs/ Initialism of Doppler ultrasonography.
87 jou Werkwoord, Voornaamwoord /jɑu̯/ tweede persoon enkelvoud accusatief (datief) informeel.
88 denk Werkwoord /dɛŋk/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van denken.
89 wie Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /ʋi/ betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent: degene die.
90 alles Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /ˈɑləs/ Masculin pluriel du participe passé du verbe aller.
91 echt Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ɛxt/ de huwelijkse staat.
92 doe Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /du/ a festival of song and dance organised and performed by and for enslaved people.
93 door Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /doːr/ centrale deel van vogelei.
94 alleen Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ɑˈleːn/ zonder hulp of medewerking.
95 s Zelfstandig naamwoord /ɛs/ hoofdletter van de s, de negentiende letter van het alfabet.
96 toch Bijwoord /tɔx/ gebruikt om iets extra te benadrukken.
97 zien Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /zin/ een bepaald gezicht trekken, eruitzien als, de indruk geven van.
98 weg Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /ʋɛx/ brood dat naar de uiteinden toe in een punt toeloopt.
99 eens Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voegwoord, Lidwoord /eːns/ op een bepaald moment in het verleden of in de toekomst à un moment ou un autre (aɶ~mɔmɑ~uɶ~notʀ) Wanneer kom je weer ee…
100 man Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel /mɑn/ voedsel dat uit de hemel komt voor de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän; het woord kan in Ex. 16:15 o…
101 misschien Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /mɪˈsxin/ duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is.
102 laten Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈlaːtə(n)/ maakt een causatief uit een ergatief werkwoord: veroorzaken dat het gebeurt.
103 nooit Bijwoord /noːit/ op geen enkel eerder moment.
104 nou Bijwoord, Tussenwerpsel /nɑu̯/ op dit moment.
105 zei Werkwoord /zɛi̯/ enkelvoud verleden tijd van zeggen.
106 terug Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /təˈrʏx/ weer naar het punt van uitgang.
107 oké Bijvoeglijk naamwoord, Tussenwerpsel /oːˈkeː/ in orde, goed aanvaardbaar.
108 mee Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /meː/ prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord van het voorzetsel met.
109 niets Voornaamwoord /nits/ geen enkel ding, geen enkele zaak.
110 iemand Voornaamwoord /ˈi.mɑnt/ een bepaald persoon.
111 komt Werkwoord /kɔmt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van komen.
112 toen Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voegwoord /tun/ Commune d’Espagne, située dans la province d’Ourense et la Communauté autonome de Galice.
113 veel Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /veːl/ Obsolete spelling of veal.
114 even Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈeː.və(n)/ Noord-Toengoezische taal met 7.000 sprekers in noordoostelijk Siberië.
115 onze Voornaamwoord, Lidwoord /ˈɔnzə/ masculine/feminine singular attributive of ons.
116 gewoon Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ɣəˈʋoːn/ de handeling van het wonen ww (vooral informeel taalgebruik).
117 weten Werkwoord /ˈʋeːtə(n)/ laat weten: zeggen wat men vindt van iets.
118 komen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈkoː.mə(n)/ deelgemeente en stadje aan de Leie van Komen-Waasten, een faciliteitengemeente in de provincie Henegouwen in België.
119 nodig Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /'no.dəx/ waar behoefte aan is; wat noodzakelijk is.
120 mensen Zelfstandig naamwoord /ˈmɛnsə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord mens.
121 tot Zelfstandig naamwoord, Voorzetsel, Voegwoord /tɔt/ A small child.
122 worden Werkwoord /ˈʋɔrdə(n)/ gaan zijn, zich ontwikkelen tot.
123 zeggen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈzɛɣə(n)/ met woorden informeren dire ja zeggen dire oui Hij heeft gezegd dat hij morgen zal terugbellen. Il a dit qu'il rappeller…
124 tijd Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /tɛi̯t/ gemeten duur waarbinnen een bepaalde prestatie is geleverd als maatstaf voor succes.
125 weer Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijwoord, Voegwoord /ʋeːr/ van de andere kant (vaak als eerste deel van samenstellingen als weerspraak en weerstrijd).
126 leven Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈleːvə(n)/ het doormaken van het leven, het doormaken van de periode tussen geboorte en dood.
127 twee Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /tʋeː/ dat wat in een (rang)ordening met 2 is aangeduid.
128 net Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /nɛt/ sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem (tussen rechte klimming 3ᵘ14ᵐ en 4ᵘ35ᵐ en tussen declinatie −67° en −53°).
129 tegen Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /ˈteː.ɣə(n)/ negatief argument of negatieve kant.
130 maken Werkwoord /ˈmaːkə(n)/ voortbrengen, tot stand brengen, in een toestand brengen.
131 Uw Voornaamwoord, Lidwoord /yu̯/ your; second-person singular and plural possessive determiner.
132 zeg Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel /zɛx/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeggen.
133 omdat Zelfstandig naamwoord, Voegwoord /ɔmˈdɑt/ (Zelfstandig naamwoord).
134 zit Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /zɪt/ daad die bestaat uit zitten.
135 wordt Werkwoord /ʋɔrt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van worden.
136 z Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Uitdrukking /zɛt/ tamelijk zeldzaam (naast zz en zzz die grotere zeldzaamheid aangeven).
137 hou Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ɦɑu̯/ friendly, of a favourable disposition.
138 kijk Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /kɛi̯k/ manier van iets te beschouwen.
139 heel Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ɦeːl/ in hoge mate.
140 wij Werkwoord, Voornaamwoord /ʋɛi̯/ nominatief (onderwerp), verwijst naar de groep mensen waar de spreker of schrijver bij hoort.
141 altijd Bijwoord /ˈɑl.tɛi̯t/ op elk moment, blijvend.
142 mag Werkwoord /mɑx/ enkelvoud tegenwoordige tijd van mogen.
143 gedaan Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ɣəˈdaːn/ (Zelfstandig naamwoord).
144 dood Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /doːt/ leven einde van het leven mort (mɔʀ) vrouwelijk Er zijn mensen die geloven in een leven na de dood. Certaines personnes…
145 zeker Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈzeː.kər/ (Zelfstandig naamwoord).
146 af Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ɑf/ Initialism of air force.
147 jaar Zelfstandig naamwoord /jaːr/ de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
148 hun Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /ɦʏn/ lid van een nomadisch ruitervolk uit Mongolië dat in de 4e eeuw Europa binnendrong.
149 wilde Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈwɪldə/ verbogen vorm van de stellende trap van wild.
150 dag Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel /dɑx/ ontmoetingsgroet.
151 allemaal Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /ˈɑləˌmaːl/ (Zelfstandig naamwoord).
152 jouw Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voornaamwoord, Tussenwerpsel, Lidwoord /jɑu̯/ uitroep (van vreugde).
153 huis Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ɦœy̯s/ elk van de twaalf sectoren van een horoscoop die te maken hebben met verschillende levensgebieden.
154 dacht Werkwoord /dɑx(t)/ enkelvoud verleden tijd van denken.
155 doet Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /doːt/ obsolete spelling of dood.
156 vader Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈvaː.dər/ een man binnen een gemeenschap wiens toewijding allen binnen die gemeenschap dient.
157 kunt Werkwoord /kʏnt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kunnen.
158 wacht Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ʋɑxt/ / een tijd waarin men de taak heeft iets te bewaken.
159 zie Werkwoord /ˈzi/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zien.
160 vrouw Zelfstandig naamwoord /vrɑu̯/ iemand van het vrouwelijk geslacht met veel aanzien, met een hoge maatschappelijke stand (bijv. van adel).
161 keer Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /keːr/ telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt.
162 andere Bijvoeglijk naamwoord /ˈɑndərə/ verbogen vorm van de stellende trap van ander.
163 zoals Zelfstandig naamwoord, Voegwoord /zoːˈɑls/ (Zelfstandig naamwoord).
164 zij Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voornaamwoord /zɛi̯/ 3e persoon enkelvoud vrouwelijk, nominatief.
165 dank Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /dɑŋk/ een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten.
166 anders Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voegwoord /ˈɑn.dərs/
167 geef Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ɣeːf/ te ~ (vrijwel) kosteloos.
168 waren Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈʋaːrə(n)/ doelloos en rusteloos ronddwalen.
169 willen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈʋɪl.ə(n)/ verlangen vouloir désirer souhaiter Ze wil een pop voor haar verjaardag. Elle souhaite recevoir une poupée pour son anni…
170 zich Voornaamwoord /zɪx/ ~ iets geeft een onbedoeld resultaat aan bij vele (ook onovergankelijke) werkwoorden.
171 bedankt Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel /bəˈdɑŋkt/ (Zelfstandig naamwoord).
172 mr Zelfstandig naamwoord /ˈɛmʔɛr/ namens het personeel in organisaties waar geen ondernemingsraad verplicht is.
173 erg Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ɛrx/ het zich bewust zijn van iets; alleen voorkomend in de vaste uitdrukking geen erg hebben in.
174 wilt Werkwoord /ʋɪlt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van willen.
175 praten Werkwoord /ˈpraːtə(n)/ mondeling overleggen, onderhandelen.
176 spijt Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voorzetsel /spɛi̯t/ besef dat men ten onrechte iets wel of juist niet heeft gedaan.
177 geld Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ɣɛlt/ in vaste eenheden verdeeld ruilmiddel dat in een samenleving wordt gebruikt voor betalen en sparen.
178 kon Werkwoord /kɔn/ enkelvoud verleden tijd van kunnen.
179 werk Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ʋɛrk/ een aangedreven mechaniek dat steeds dezelfde functies verricht zoals het overbrengen van beweging, het verplaatsen van…
180 oh Tussenwerpsel /oː/ een uitroep van lichte verbazing or herkenning.
181 iedereen Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /i.də.ˈreːn/ (Zelfstandig naamwoord).
182 beter Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /'beːtər/ (Zelfstandig naamwoord).
183 werd Werkwoord /ʋɛrt/ enkelvoud verleden tijd van worden.
184 moeder Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈmu.dər/ persoon of zaak die op een moeder lijkt omdat dit het oorspronkelijk voortbrengende is bijv. moederbedrijf.
185 niemand Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /ˈni.mɑnt/ (Zelfstandig naamwoord).
186 vinden Werkwoord /ˈvɪndə(n)/ iets op een bepaalde wijze beschouwen of ervaren.
187 staat Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /staːt/ binnen een afgebakend grondgebied werkzame, in hoge mate soevereine organisatie die gezag uitoefent over de op dat grond…
188 gezien Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voorzetsel, Voegwoord /ɣəˈzin/ (Zelfstandig naamwoord).
189 niks Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord /nɪks/ (Zelfstandig naamwoord).
190 binnen Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /ˈbɪ.nə(n)/ in een bepaald bestek of ruimte.
191 zitten Werkwoord /ˈzɪtə(n)/ ergens verblijven / ergens verstand van hebben.
192 zullen Werkwoord /ˈzʏ.lə(n)/ : hulpwerkwoord van de toekomende tijd.
193 na Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /naː/ prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord.
194 helpen Werkwoord /ˈɦɛl.pə(n)/ iemand bijstaan.
195 wist Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ʋɪst/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wissen.
196 vind Werkwoord /vɪnt/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vinden.
197 genoeg Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijwoord, Voornaamwoord, Tussenwerpsel, Lidwoord /ɣəˈnux/ (Zelfstandig naamwoord).
198 sorry Tussenwerpsel /ˈsɔ.ri/ een informele verontschuldiging of excuses.
199 vast Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /vɑst/ aan een bepaalde plek gebonden, niet zomaar beweeglijk of verplaatsbaar.
200 elkaar Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /ɛlˈkaːr/ (Zelfstandig naamwoord).
201 ging Werkwoord /ɣɪŋ/ enkelvoud verleden tijd van gaan.
202 uur Zelfstandig naamwoord /yr/ een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten, weergegeven met de afkorting u of h.
203 klaar Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /klaːr/ (Zelfstandig naamwoord).
204 hele Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈɦeː.lə/ To hide, conceal, and keep secret, especially for a secret society (such as the masons).
205 neem Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /neːm/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nemen.
206 leuk Bijvoeglijk naamwoord /løːk/ prettig, aangenaam.
207 natuurlijk Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /naːˈtyrlək/ vanzelfsprekend.
208 alle Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord, Tussenwerpsel, Lidwoord /ˈɑ.lə/ Fou, je manque de bon sens.
209 god Zelfstandig naamwoord /ɣɔt/ heel erg, gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden als versterker van het rechterdeel; in feit…
210 maak Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /maːk/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van maken.
211 lang Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /lɑŋ/ een hele tijd longtemps lang houdbare producten des produits de longue conservation Het slechte weer houdt lang aan. Le…
212 kwam Werkwoord /kʋɑm/ enkelvoud verleden tijd van komen.
213 graag Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel /ɣraːx/ (Zelfstandig naamwoord).
214 toe Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel /tu/ prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord.
215 drie Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /dri/ dat wat in een (rang)ordening met 3 is aangeduid.
216 zegt Werkwoord /zɛxt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeggen.
217 bedoel Werkwoord /bəˈdul/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedoelen.
218 deed Werkwoord /deːt/ enkelvoud verleden tijd van doen.
219 dingen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈdɪŋə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord ding.
220 maakt Werkwoord /maːkt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van maken.
221 alsjeblieft Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /ˌɑ(l)ʃəˈblift/ (Zelfstandig naamwoord).
222 eerste Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈeːr.stə/ nummer één in een volgorde.
223 krijgen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈkrɛi̯ɣə(n)/ maakt met behulp van een meewerkend voorwerp een pseudo-passieve constructie.
224 zonder Werkwoord, Voorzetsel /ˈzɔn.dər/ in afwezigheid van.
225 steeds Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /steːts/ Noun. [B1].
226 hallo Tussenwerpsel /ɦɑˈloː/ uitroep waarbij men iemand naar de bekende weg vraagt.
227 houden Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈɦɑu̯də(n)/ loslaten vasthouden of vast blijven zitten tenir iemand bij de hand houden tenir quelqu'un par la main Het plakband is o…
228 vertellen Werkwoord /vərˈtɛlə(n)/ een al of niet ware gebeurtenis verhalen; spreken over een al dan niet ware gebeurtenis.
229 ziet Werkwoord /zit/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zien.
230 idee Zelfstandig naamwoord /iˈdeː/ een verondersteld basisbeeld.
231 geven Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈɣeːvə(n)/ (Zelfstandig naamwoord).
232 achter Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /ˈɑxtər/ (Zelfstandig naamwoord).
233 geweest Werkwoord /ɣəˈʋeːst/ voltooid deelwoord van wezen.
234 blijven Werkwoord /ˈblɛi̯vən/ blijven (als dit in de zin bijzondere nadruk krijgt als tegenstelling met een ander zinsdeel of eerdere uitspraak).
235 helemaal Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /ˈɦeː.ləˌmaːl/ volledig total/-ale (tɔtal) helemaal nat zijn être tout à fait trempé helemaal geen zin hebben om op te staan n'avoir pa…
236 mooi Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /moːi̯/ het esthetisch/mooi [1] zijn.
237 onder Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /ˈɔndər/ boven op een lagere plaats en bas en dessous Onder in de kast staat de stofzuiger. L'aspirateur est dans le bas du placa…
238 kijken Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈkɛi̯kə(n)/ ~ naar: een probleem onder ogen nemen (en er eventueel wat aan doen).
239 zag Werkwoord /zɑx/ enkelvoud verleden tijd van zien.
240 goede Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈɣudə/ good (as a concept), that which is good.
241 naam Zelfstandig naamwoord /naːm/ kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object kan benoemen.
242 moest Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /must/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van moezen.
243 blijf Zelfstandig naamwoord, Werkwoord eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blijven.
244 kun Werkwoord /kʏn/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van de jij-vorm van kunnen.
245 auto Zelfstandig naamwoord /ˈɑu̯.toː/ voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie.
246 luister Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈlœy̯s.tər/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luisteren.
247 grote Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈɣroːtə/ verbogen vorm van de stellende trap van groot.
248 lijkt Werkwoord /lɛi̯kt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijken.
249 snel Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /snɛl/ (Zelfstandig naamwoord).
250 ooit Bijwoord /oːi̯t/ gebruikt om vertwijfeling over iets uit te drukken.
251 vragen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈvraːɣə(n)/ mondeling of schriftelijk informatie verzoeken.
252 paar Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord /paːr/ tweetal dat bij elkaar hoort dingenpaire vrouwelijk mensen, dieren couple mannelijk een paar schoenen une paire de chaus…
253 wanneer Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voegwoord /ʋɑˈneːr/ (Zelfstandig naamwoord).
254 want Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voegwoord /ʋɑnt/ geeft nevenschikkend een reden aan.
255 meneer Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /məˈneːr/ een formele manier om een man aan te spreken.
256 nieuwe Bijvoeglijk naamwoord /ˈniʋə/ nieuwe (als dit in de zin bijzondere nadruk krijgt om de tegenstelling met een ander zinsdeel of een eerdere uitspraak a…
257 gebeurd Werkwoord voltooid deelwoord van gebeuren.
258 zorgen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈzɔrɣə(n)/ zorg dragen.
259 vriend Zelfstandig naamwoord /vrint/ de mannelijke persoon met wie je verkering hebt; de mannelijke persoon met wie je een liefdesrelatie hebt.
260 beetje Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Lidwoord /ˈbeːtjə/ verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord beet.
261 kinderen Zelfstandig naamwoord /ˈkɪn.də.rə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord kind.
262 gek Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ɣɛk/ een draaibare kap op een schoorsteen, die verhinderen moet dat de wind in de schoorsteen slaat.
263 hand Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ɦɑnt/ uiterste deel van de arm, voorbij de pols.
264 vraag Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /vraːx/ probleem, kwestie, vraagstuk.
265 laatste Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈlaːtstə/ verbogen vorm van de overtreffende trap van laat.
266 geweldig Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ɣə.ˈʋɛl.dəx/ heel erg horrible (ɔʀibl) een geweldig mooi boek un livre terriblement beau geweldig verwend worden op je verjaardag êtr…
267 hadden Werkwoord /ˈɦɑ.də(n)/ meervoud verleden tijd van hebben.
268 zelfs Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /zɛlfs/ (Zelfstandig naamwoord).
269 enige Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord /ˈeː.nə.ɣə/ datgene dat uniek is in een bepaald opzicht.
270 bang Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /bɑŋ/ a sharp, percussive sound, like the sound of an explosion or gun; bang.
271 nemen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈneːmə(n)/ (iets) pakken, gebruiken prendre nog een kopje koffie nemen prendre une autre tasse de café een dag vrij nemen prendre u…
272 samen Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /ˈsaː.mə(n)/ met iemand.
273 eten Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈeː.tə(n)/ meervoudige tegenwoordige tijd van eten.
274 O Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel, Uitdrukking /oː/ luidt een vocatief in.
275 zelf Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voornaamwoord /zɛlf/ oneself, referring to the subject of a sentence: myself, yourself, itself, ourselves, themselves etc.
276 hoor Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel /ɦoːr/ only used in hoor en wederhoor.
277 geleden Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijwoord /ɣə.ˈleː.də(n)/ (Zelfstandig naamwoord).
278 staan Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /staːn/ (Zelfstandig naamwoord).
279 gevonden Werkwoord /ɣəˈvɔndə(n)/ voltooid deelwoord van vinden.
280 jongen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈjɔ.ŋə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord jonge.
281 denken Werkwoord /ˈdɛŋkə(n)/ ~ over: het plan hebben om iets te doen, maar nog niet zeker weten of dat ook echt in de praktijk wordt gebracht.
282 vandaag Bijwoord /vɑnˈdaːx/ op deze dag.
283 denkt Werkwoord /dɛŋkt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van denken.
284 beste Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈbɛstə/ verbogen vorm van de overtreffende trap van goed.
285 gezegd Werkwoord /ɣə.ˈzɛxt/ voltooid deelwoord van zeggen.
286 thuis Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /tœy̯s/ een plek waar iemand woont en zich veilig voelt.
287 wereld Zelfstandig naamwoord /ˈʋeːrəlt/ een deel van de samenleving dat relatief afgesloten is van andere delen van de samenleving.
288 jongens Zelfstandig naamwoord, Tussenwerpsel /ˈjɔ.ŋə(n)s/ meervoud van het zelfstandig naamwoord jongen.
289 heen Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /ɦeːn/ grasachtige soort, Bolboschoenus maritimus in de familie van de cypergrassenfamilie (Cyperaceae). De soort komt voor in…
290 Ken Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /kɛn/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kennen.
291 hen Zelfstandig naamwoord, Voornaamwoord /ɦɛn/ vrouwtje van hoenderachtige vogels.
292 eerst Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /eːrst/ (Zelfstandig naamwoord).
293 eigen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈɛi̯ɣə(n)/ (Zelfstandig naamwoord).
294 zoon Zelfstandig naamwoord /zoːn/ aanduiding van Jezus Christus als een van de drie Personen van de god van het christendom.
295 gelijk Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voegwoord /ɣəˈlɛi̯k/ juistheid, recht.
296 buiten Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /ˈbœy̯.tə(n)/ buitenverblijf, landhuis, buitenplaats, landgoed.
297 vertel Werkwoord eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vertellen.
298 morgen Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel /ˈmɔrɣə(n)/ het eerste deel van de dag, na de nacht en vóór de middag.
299 meisje Zelfstandig naamwoord /ˈmɛi̯.ʃə/ jonge, ongehuwde vrouw.
300 probleem Zelfstandig naamwoord /ˌproːˈbleːm/ iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat.
301 alsof Zelfstandig naamwoord, Voegwoord /ɑlsˈɔf/ (Zelfstandig naamwoord).
302 geloof Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ɣəˈloːf/ een godsdienstige overtuiging.
303 halen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈɦaːlə(n)/ naar de plaats waar je bent brengen chercher Mijn tas ligt boven, ik haal hem even. Mon sac est en haut, je vais le cher…
304 familie Zelfstandig naamwoord /faːˈmi.li/ taxon, een groep dieren of planten, onderdeel van een orde en bestaande uit een of meer geslachten.
305 elke Voornaamwoord, Lidwoord /ˈɛlkə/ indefinite masculine/feminine singular attributive.
306 zouden Werkwoord /ˈzɑu̯.də(n)/ meervoud verleden tijd van zullen.
307 hoop Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ɦoːp/ een verwachting van iets wenselijks.
308 politie Zelfstandig naamwoord /poː.ˈli.(t)si/ overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid en het opsporen van wetsovertreders.
309 mannen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈmɑnə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord man.
310 bijna Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /ˈbɛi̯.naː/ nog net niet helemaal presque (pʀɛsk) we zijn bijna in Amsterdam nous sommes presqu'arrivés à Amsterdam.
311 vermoord Werkwoord /vərˈmort/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vermoorden.
312 eigenlijk Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈɛi̯ɣə(n)lək/ (Zelfstandig naamwoord).
313 werken Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈʋɛrkə(n)/ arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee een resultaat proberen te bewerkstelligen en geld verdienen.
314 verdomme Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Tussenwerpsel /vərˈdɔ.mə/ (Zelfstandig naamwoord).
315 horen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈɦoːrə(n)/ het gehoor, het in staat zijn om te kunnen horen.
316 manier Zelfstandig naamwoord /maːˈniːr/ de handelswijze.
317 zat Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /zɑt/ zaterdag, de eerste dag van het weekeinde.
318 vrienden Zelfstandig naamwoord /ˈvrin.də(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord vriend.
319 precies Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /prəˈsis/ precieus [3], overgedreven gesteld op netheid, goede zeden en reinheid.
320 kind Zelfstandig naamwoord /kɪnt/ mens [1] in de leeftijd tussen 0 en 18 jaar, iemand die nog minderjarig is.
321 kleine Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈklɛi̯nə/ verbogen vorm van de stellende trap van klein.
322 begrijp Werkwoord /bə.ˈɣrɛi̯p/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van begrijpen.
323 wou Werkwoord /ʋɑu̯/ enkelvoud verleden tijd van willen.
324 geeft Werkwoord /ɣeft/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geven.
325 orde Zelfstandig naamwoord /ˈɔr.də/ een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families.
326 houdt Werkwoord /ɦɑu̯t/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van houden.
327 verder Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈvɛr.dər/ onverbogen vorm van de vergrotende trap van ver.
328 vroeg Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /vrux/ (Zelfstandig naamwoord).
329 stop Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /stɔp/ zekering die elektrische stroom begrenst doordat zij smelt.
330 wachten Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈʋɑxtə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord wacht.
331 rustig Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈrʏs.təx/ kalm, weinig sensorische prikkels creërend.
332 hoofd Zelfstandig naamwoord /ɦoːft/ bovenste deel van het menselijk lichaam boven de hals, waarin zich de hersenen en oren, ogen en neus bevinden.
333 krijg Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈkrɛi̯x/ een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen.
334 daarom Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel /daː.rˈɔm/ (Zelfstandig naamwoord).
335 gebeurt Werkwoord tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebeuren.
336 soms Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /sɔms/ in een beperkt aantal gevallen of tijden dus niet altijd en overal.
337 volgens Zelfstandig naamwoord, Voorzetsel /ˈvɔl.ɣə(n)s/ geeft een bron aan voor de gegeven redenering.
338 dagen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈdaːɣə(n)/ iemand oproepen om voor de rechter te komen assigner/citer quelqu'un en justice.
339 vond Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /vɔnt/ synonym of vondst (“a find; the act of finding”).
340 krijgt Werkwoord tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krijgen.
341 gemaakt Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ɣəˈ.maːkt/ onecht, kunstmatig aandoend, onoprecht.
342 kant Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /kɑnt/ /, een vorm van vlechtwerk gemaakt van dunne linnen of katoenen draden.
343 werkt Werkwoord /ʋɛrkt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werken.
344 open Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈoː.pə(n)/ iemand die weinig geheim houdt is een open persoon, mededeelzaam, openhartig.
345 gehad Werkwoord /ɣəˈɦɑt/ vormt alleen de voltooide tijden.
346 voel Werkwoord /vul/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voelen.
347 zaak Zelfstandig naamwoord /zaːk/ iets stoffelijks (een ding) of een abstracte voorstelling van de geest, geen betrekking hebbend op een persoon of ander…
348 blij Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /blɛi̯/ vreugde oproepend, stemmend tot blijdschap/vreugde.
349 volgende Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈvɔlɣəndə/ verbogen vorm van de stellende trap van volgend.
350 zoek Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /zuk/ alleen predicatief: niet terug te vinden.
351 kans Zelfstandig naamwoord /kɑns/ meervoud van het zelfstandig naamwoord kan.
352 vanavond Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /ˌvɑˈnaː.vɔnt/ (Zelfstandig naamwoord).
353 bel Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /bɛl/ een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel, bedoeld om een muzi…
354 probeer Werkwoord eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van proberen.
355 zoeken Werkwoord /ˈzu.kə(n)/ ~ te pogen, proberen, trachten.
356 oude Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈɑu̯.də/ verbogen vorm van de stellende trap van oud.
357 ding Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /dɪŋ/ driedaagse volksvergadering die recht kon spreken en dus als rechtszitting fungeerde in de Oudgermaanse tijd.
358 moment Zelfstandig naamwoord /moːˈmɛnt/ een vector die gelijk is aan het product van de kracht en de arm.
359 best Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /bɛst/ een perfecte toestand.
360 tussen Bijwoord, Voorzetsel /ˈtʏsə(n)/ minstens de eerstgenoemde waarde, maar hoogstens de grotere laatstgenoemde.
361 plaats Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijwoord /plaːts/ een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte.
362 pas Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel /pɑs/ in nog hogere mate.
363 gehoord Werkwoord /ɣəˈhɔːrt/ voltooid deelwoord van horen.
364 vijf Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /vɛi̯f/ dat wat in een (rang)ordening met 5 is aangeduid.
365 verteld Werkwoord /vərˈtɛlt/ voltooid deelwoord van vertellen.
366 zet Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /zɛt/ een beweging waarbij iets verplaatst wordt, een duw of stoot.
367 prima Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈpri.maː/ eerste wissel.
368 hulp Zelfstandig naamwoord /ɦʏlp/ keer dat je helpt of geholpen wordt aide vrouwelijk secours mannelijk hulp bieden aan slachtoffers van een ramp porter s…
369 stad Zelfstandig naamwoord /stɑt/ plaats waar zeer veel mensen wonen en een groot aantal voorzieningen zijn.
370 vindt Werkwoord /[vɪnt]/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vinden.
371 brengen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈbrɛŋə(n)/ (Zelfstandig naamwoord).
372 pijn Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /pɛi̯n/ lichamelijk leed, veroorzaakt door ziekte of verwonding.
373 slecht Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /slɛçt/ (Zelfstandig naamwoord).
374 geloven Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ɣəˈloːvə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord geloof.
375 eruit Bijwoord /əˈrœy̯t/ bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord.
376 minuten Zelfstandig naamwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord minuut.
377 school Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijwoord /sxoːl/ een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen.
378 plan Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /plɑn/ een ontwerp voor een ruimtelijke of economische ordening.
379 broer Zelfstandig naamwoord /brur/ iets dat veel lijkt op of verwant is aan iets anders.
380 pak Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /pɑk/ een kledingcombinatie bestaande uit ten minste een jasje en een broek of rok; gewaad, kostuum.
381 jezelf Voornaamwoord /jəˈzɛɫf/ tweede persoon enkelvoud, versterkte vorm van je.
382 hoeveel Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /ɦuˈveːl/ (Zelfstandig naamwoord).
383 kamer Zelfstandig naamwoord /ˈkaː.mər/ een van de rest door muren afgescheiden deel van een huis met een eigen functie.
384 betekent Werkwoord /bə.ˈteː.kənt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van betekenen.
385 spreken Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈspreːkə(n)/ (Zelfstandig naamwoord).
386 juist Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /jœy̯st/ zoals het moet, waar.
387 heet Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ɦeːt/ (Zelfstandig naamwoord).
388 soort Zelfstandig naamwoord /soːrt/ groep mensen of dingen die gemeenschappelijke kenmerken hebben espèce vrouwelijk sorte vrouwelijk genre mannelijk Ik ga…
389 haal Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ɦaːl/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halen.
390 ergens Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /ˈɛrɣəns/ (Zelfstandig naamwoord).
391 vier Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /vir/ om een plaats in een volgorde aan te geven.
392 gebruiken Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ɣəˈbrœy̯kə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord gebruik.
393 ligt Werkwoord /lɪxt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van liggen.
394 blijft Werkwoord /blɛift/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blijven.
395 welke Werkwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /ˈʋɛlkə/ masculine/feminine singular attributive.
396 proberen Werkwoord /ˌproːˈbeː.rə(n)/ iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken.
397 dokter Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈdɔk.tər/ een arts, een geneesheer.
398 agent Zelfstandig naamwoord /aːˈɣɛnt/ persoon die namens de politie belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid.
399 help Werkwoord, Tussenwerpsel /ɦɛlp/ roep om hulp.
400 later Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Tussenwerpsel /ˈlaː.tər/ onverbogen vorm van de vergrotende trap van laat.
401 voordat Zelfstandig naamwoord, Voegwoord /ˈvordɑt/ (Zelfstandig naamwoord).
402 ogen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈoːɣə(n)/ aandachtig kijken naar, staren naar.
403 vrij Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /vrɛi̯/ vrijdag, de vijfde dag van de werkweek.
404 klopt Werkwoord, Tussenwerpsel /ˈklɔpt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kloppen.
405 gaf Werkwoord /ɣɑf/ enkelvoud verleden tijd van geven.
406 foto Zelfstandig naamwoord /ˈfoː.toː/ afdruk van een fotografische opname.
407 word Werkwoord /ʋɔrt/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van worden.
408 zodat Voegwoord /zoːˈdɑt/ met de bedoeling dat.
409 dochter Zelfstandig naamwoord /ˈdɔx.tər/ min of meer zelfstandig functionerend bedrijf waarvan de aandelen in bezit zijn van een holding of moedermaatschappij.
410 problemen Zelfstandig naamwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord probleem.
411 plek Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /plɛk/ ruimte die door iets ingenomen wordt of ingenomen kan worden.
412 water Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈʋaː.tər/ vloeistof die zelf helder is, zonder geur of smaak, maar waar veel andere stoffen gemakkelijk in opgaan.
413 Kent Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /kɛnt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kennen.
414 week Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ʋeːk/ tijdseenheid van 7 dagen, meestal beginnend op maandag of zondag.
415 beginnen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /bəˈɣɪnə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord begin.
416 praat Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /praːt/ het spreken over een bepaald onderwerp.
417 eerder Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈeːr.dər/ plower, plowman or plowboy.
418 mis Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /mɪs/ een eucharistieviering, de katholieke eredienst waarin het sacrament van de eucharistie wordt gevierd.
419 handen Zelfstandig naamwoord /ˈɦɑn.də(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord hand.
420 deur Zelfstandig naamwoord /døːr/ een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof.
421 baby Zelfstandig naamwoord /ˈbeːbi/ een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven na de geboorte, meestal tijdens het eerste levensjaar.
422 bellen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈbɛlə(n)/ een van de vier Duitse kleuren in het kaartspel.
423 boven Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /ˈboː.və(n)/ (Zelfstandig naamwoord).
424 Groot Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈɣroːt/ meer dan normaal in formaat.
425 echte Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord verbogen vorm van de stellende trap van echt.
426 hoeft Werkwoord /ɦuft/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeven.
427 ie Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voornaamwoord /i/ Initialism of Indo-European.
428 doden Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈdoːdə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord dode.
429 stoppen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈstɔpə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord stop.
430 moeilijk Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈmui̯.lək/ niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is.
431 dr Bijwoord, Voornaamwoord nonstandard form of d'r.
432 sinds Voorzetsel, Voegwoord /sɪn(t)s/ vanaf de tijd dat.
433 land Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /lɑnt/ een geografisch afgebakend gebied dat aan één bepaald gezag is onderworpen, en zodoende geldt als eigen staat.
434 spelen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈspeːlə(n)/ ~ met onvoorzichtig/ondoordacht/onbezonnen omgaan met iets kostbaars.
435 zoveel Bijvoeglijk naamwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /zoːˈveːl/ that many, that much.
436 hetzelfde Zelfstandig naamwoord, Bijwoord, Voornaamwoord, Lidwoord /ɦɛt.ˈzɛlf.də/ (Zelfstandig naamwoord).
437 mevrouw Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /məˈvrɑu̯/ formele manier om een vrouw aan te spreken.
438 snap Werkwoord eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snappen.
439 breng Werkwoord /brɛŋ/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van brengen.
440 pakken Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈpɑkə(n)/ door het weloverwogen vullen of laden met spullen gereedmaken om op reis mee te nemen.
441 druk Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /drʏk/ pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt.
442 verhaal Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /vərˈɦaːl/ verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis.
443 lekker Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈlɛ.kər/ gezond [1], lichamelijk in orde.
444 vrouwen Zelfstandig naamwoord /ˈvrɑu̯ə(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord vrouw.
445 schat Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /sxɑt/ iemand die gevoelens van liefde of vertedering opwekt.
446 vergeten Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /vərˈɣeːtə(n)/ (Zelfstandig naamwoord).
447 gebeuren Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ɣəˈbøːrə(n)/ geheel van voorvallen met de ermee verbonden effecten.
448 ervan Bijwoord /ərˈvɑn/ vervangt het onzijdig bezittelijk voornaamwoord zijn bij zaken.
449 kreeg Werkwoord enkelvoud verleden tijd van krijgen.
450 waarschijnlijk Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ʋaːrˈsxɛi̯n.lək/ aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is.
451 hoi Tussenwerpsel /ɦɔi̯/ A greeting acknowledging someone’s arrival or presence, comparable to English hey, hi.
452 mogelijk Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈmoː.ɣə.lək/ van iets dat het misschien zou kunnen.
453 mooie Bijvoeglijk naamwoord /moːi̯ə/ verbogen vorm van de stellende trap van mooi.
454 bloed Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /blut/ heel erg, als eerste deel in samenstellingen dat de heftigheid van het tweede deel benadrukt Kan in spreektaal soms nog…
455 wees Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ʋeːs/ persoon wiens vader en/of moeder is gestorven.
456 nacht Zelfstandig naamwoord /nɑxt/ de tijd tussen 12 uur 's nachts en 6 uur 's ochtends.
457 nieuws Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /niu̯s/ een uitzending in de media waarin berichten over [1] worden verspreid onder het grote publiek.
458 bed Zelfstandig naamwoord /bɛt/ afgeperkte en/of verhoogde plaats in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt worden.
459 liet Werkwoord /lit/ enkelvoud verleden tijd van laten.
460 lopen Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈloːpə(n)/ ~ te: duratief hulpwerkwoord, iets doen terwijl men loopt.
461 gelukkig Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ɣəˈlʏ.kəx/ in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen.
462 waarheid Zelfstandig naamwoord /ˈʋaːr.ɦɛi̯t/ dat wat als waar wordt beschouwd door een persoon of groep.
463 reden Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈreːdə(n)/ verhouding, betrekking tussen een grootheid en een andere.
464 papa Zelfstandig naamwoord /ˈpɑ.paː/ informele benaming voor vader door zijn kind.
465 hoorde Werkwoord /ˈhɔːrdə/ enkelvoud verleden tijd van horen.
466 klinkt Werkwoord /klɪŋkt/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klinken.
467 maanden Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /ˈmaːn.də(n)/ meervoud van het zelfstandig naamwoord maand.
468 vermoorden Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /vərˈmoːr.də(n)/ (Zelfstandig naamwoord).
469 zorg Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /zɔrx/ het geheel aan medische voorzieningen in een bepaald land of gebied.
470 dollar Zelfstandig naamwoord /ˈdɔlɑr/ naam die verschillende Engelstalige landen zoals Australië, Canada en de VS voor hun nationale munteenheid gebruiken, me…
471 bezig Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /ˈbeː.zəx/ (Zelfstandig naamwoord).
472 voorbij Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /voːrˈbɛi̯/ bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord met een passerende beweɡinɡ.
473 terwijl Voegwoord /tɛrˈʋɛi̯l/ gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is.
474 sta Werkwoord /sta/ eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staan.
475 zaken Zelfstandig naamwoord, Bijwoord /zaːkən/ meervoud van het zelfstandig naamwoord zaak.
476 avond Zelfstandig naamwoord /ˈaː.vɔnt/ dagdeel tussen de middag en de nacht, ongeveer van 18:00 tot 22:00 uur.
477 tien Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /tin/ het getal 10 dix met tien personen zijn être dix het hoogst haalbare schoolcijfer krijgen voor... avoir un dix (sur dix)…
478 schuld Zelfstandig naamwoord /sxʏlt/ een verantwoordelijkheid die aan iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand.
479 veilig Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈvɛiləx/ niet aan gevaar blootstaand.
480 redden Werkwoord /ˈrɛ.də(n)/ actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen.
481 hart Zelfstandig naamwoord /ɦɑrt/ holle spier die door geregeld samen te trekken bloed door het lichaam pompt.
482 zult Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /zɵlt/ tweede persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd van zullen.
483 duidelijk Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord /ˈdœy̯.də.lək/ (Zelfstandig naamwoord).
484 stel Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Voegwoord /stɛl/ klein aantal bij elkaar passende voorwerpen of personen die samen een geheel vormen.
485 schiet Werkwoord /sxit/ enkelvoud tegenwoordige tijd van schieten.
486 eraan Bijwoord /əˈraːn/ vervangt *aan het, *aan ze.
487 zes Zelfstandig naamwoord, Bijvoeglijk naamwoord /zɛs/ dat wat in een (rang)ordening met 6 is aangeduid.
488 begin Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /bəˈɣɪn/ de oudste plekken in een oudlandpolder van waaruit het inpolderingsproces begonnen is.
489 gekomen Werkwoord /ɣəˈkomə(n)/ voltooid deelwoord van komen.
490 vol Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord /vɔl/ helemaal, compleet.
491 vriendin Zelfstandig naamwoord /vrinˈdɪn/ een vrouwelijk persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt.
492 rond Zelfstandig naamwoord, Werkwoord, Bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord, Voorzetsel /rɔnt/ ronde, cirkelvormige ruimte.
493 voelt Werkwoord /vult/ tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voelen.
494 baas Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /baːs/ iets of iemand die de macht heeft om zijn wil af te dwingen.
495 moord Zelfstandig naamwoord, Werkwoord /moːrt/ als eerste deel van een samengesteld zelfstandig naamwoord drukt uit dat het om een buitengewoon gewaardeerd voorbeeld g…
Level A1 of 6 A2 →

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, CEFR level, and more.

Open Dictionary