Betekenis van lekker | Babel Free
/ˈlɛ.kər/Voorbeelden
“Het eten is weer lekker vandaag, mam!”
The dinner is tasty again today, mum!
“Lekker weer!”
Nice weather!
“Het badwater is lekker warm.”
The bathwater is pleasantly warm.
“Ik ga zo lekker zwemmen.”
I'm going for a nice swim.
“Hij is zo'n lekker ding!”
He's such a hottie!
“Hé, lekkere meid!”
Hey, sexy girl!
“Een paar minuten nadat de klas klaagde, begon de docent zich ook niet lekker te voelen.”
A few minutes after the class complained, the teacher also began to feel unwell.
“Ben jij wel helemaal lekker, gore aap?”
Are you out of your mind, you filthy ape?
“De nieuwe onderzoeksassistente is een genie, maar volgens mij is ze niet zo lekker in haar bovenkamer.”
The new research assistant is a genius, but I think she's not mentally well up there.