HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← hebben — definition

Conjugation of hebben

Regular CEFR A1
ˈɦɛbə(n)

hebben + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik heb
jij / je hebt
hij / zij / het heeft
wij / we hebben
jullie hebben
zij / ze hebben
Verleden tijd (o.v.t.)
ik had
jij / je had
hij / zij / het had
wij / we hadden
jullie hadden
zij / ze hadden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik hebbe
jij / je hebbe
hij / zij / het hebbe
wij / we hebben
jullie hebben
zij / ze hebben
Aanvoegende wijs — verleden
ik hadde
jij / je hadde
hij / zij / het hadde
wij / we hadden
jullie hadden
zij / ze hadden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij heb
jullie (archaïsch) hebt

Onbepaalde vormen

Infinitief
hebben
Tegenwoordig deelwoord
hebbend
Voltooid deelwoord
gehad

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary