Betekenis van haar | Babel Free
ɦaːrDefinities
- accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
- bezit aanduidend door een derde persoon vrouwelijk enkelvoud
-
bezit aanduidend door derde persoon vrouwelijk meervoud obsolete
- datief van zij, derde persoon enkelvoud
-
datief of accusatief van derde persoon meervoud obsolete
Equivalenten
Español
ella
Voorbeelden
“Ik zeg het tegen haar (1), maar je kunt haar (2) beter nog een mailtje sturen.”
I’ll mention it to her, but you’d better send her a mail as well.
“Zij heet Anna. Haar man heet Jan.”
“De VU laat aan de NOS weten te waarderen dat het werkveld erg betrokken is. "De realiteit blijft echter dat de afdeling Aardwetenschappen langdurig te maken heeft met structurele financiële tekorten, ondanks eerdere reorganisaties en gedeeltelijk steun van andere afdelingen. Deze structurele tekorten zijn niet langer mogelijk gezien de bezuinigingsopgave waar we als faculteit, maar ook als universiteit in haar geheel, nu voor staan."”
“Met haar metalen golfplaten dak leek deze plek me niet geschikt om bescherming te bieden, eerder een uitnodiging aan de bliksem om in te slaan.”
“De vrouwen en haar gevoelens.”
“Ik heb haar gisteren nog gezien.”
“Ik heb haar gisteren nog dat boek gegeven.”
ERK-niveau
A1
Beginner
Dit woord behoort tot de ERK A1-woordenschat — niveau beginner.
Dit woord behoort tot de ERK A1-woordenschat — niveau beginner.
Know this word better than we do? Language is a living thing — help us keep it growing. Collaborate with Babel Free