HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← Terug naar zoeken

Betekenis van lopen | Babel Free

Werkwoord CEFR A1 Common
ˈloːpə(n)

Definities

  1. stappen, gaan, wandelen
    ergative
  2. rennen
    ergative
  3. stappen, gaan
    unergative
  4. voortgang maken
    ergative
  5. vloeien of stromen
    ergative
  6. ~ te: duratief hulpwerkwoord, iets doen terwijl men loopt
    auxiliary
  7. grammaticaal in orde zijn

Equivalenten

Español caminar

Voorbeelden

“Ik ben naar de stad gelopen.”

I ran to the city.

“Hij heeft daar veel gelopen.”

He did a lot of running there.

“We kunnen naar de supermarkt lopen om boodschappen te doen.”

We can walk to the supermarket to do some shopping.

“Hij loopt elke ochtend naar zijn werk.”

He walks to his workplace every morning.

“De kinderen zijn buiten aan het lopen.”

The children are outside walking.

“Zij loopt graag in het park om van de natuur te genieten.”

She likes to walk in the park to enjoy nature.

“De rivier loopt dwars door de stad.”

The river runs straight through the city.

“De weg loopt helemaal tot aan de kust.”

The road extends all the way to the coast.

“Het contract loopt binnenkort af.”

The contract will be ending soon.

“De aanbieding loopt nog tot het einde van de maand.”

The offer is valid until the end of the month.

“De rechtzaak tegen de crimineel loopt al een tijdje.”

The lawsuit against the criminal has been in progress for a while already.

“De onderhandelingen lopen soepel.”

The negotiations are progressing smoothly.

“Het project loopt op schema.”

The project is on track.

“Zijn nieuwe project loopt goed.”

His new project is doing well.

“Er is een lek in de kraan en het water loopt langzaam weg.”

There's a leak in the faucet, and the water is slowly dripping away.

“Toen het vat viel, begon het bier eruit te lopen en maakte een grote puinhoop.”

When the barrel fell, the beer started to gush out, creating a big mess.

“Wat loop jij daar te doen?”

What are you doing there?

“Loop niet zo te zaniken.”

Stop whining.

“Lopen naar het stadhuis is sneller dan met de auto.”
“Jack was een kale man van in de zestig die 35 jaar geleden zelf de PCT had gelopen.”
“Meteen liep ik naar mijn tent die onder het gewicht van de sneeuw voor de helft bleek te zijn ingestort.”
“Je zal moeten lopen als je de trein nog wil halen.”
“Hij heeft gisteren een heel stuk gelopen.”
“Er wordt daar niet veel gelopen.”
“Hij heeft gisteren tien kilometer gelopen.”
“De zaken lopen erg goed.”
“Het water loopt in mijn kleren.”
“Ach, loop niet zo te zeuren, man!”
“Hij heeft de krant lopen rondbrengen.”
“De zin loopt niet lekker.”

ERK-niveau

A1
Beginner
Dit woord behoort tot de ERK A1-woordenschat — niveau beginner.
See all A1 Nederlands words →

Zie ook

Leer dit woord in context

Bekijk lopen gebruikt in echte gesprekken in onze gratis Spaanse cursus.

Gratis cursus starten

Know this word better than we do? Language is a living thing — help us keep it growing. Collaborate with Babel Free