HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← wonen — definición

Conjugation of wonen

Regular CEFR A2
/ˈʋoːnə(n)/

een permanente behuizing hebben Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik woon
jij / je woont
hij / zij / het woont
wij / we wonen
jullie wonen
zij / ze wonen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik woonde
jij / je woonde
hij / zij / het woonde
wij / we woonden
jullie woonden
zij / ze woonden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik wone
jij / je wone
hij / zij / het wone
wij / we wonen
jullie wonen
zij / ze wonen
Aanvoegende wijs — verleden
ik woonde
jij / je woonde
hij / zij / het woonde
wij / we woonden
jullie woonden
zij / ze woonden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij woon
jullie (archaïsch) woont

Onbepaalde vormen

Infinitief
wonen
Tegenwoordig deelwoord
wonend
Voltooid deelwoord
gewoond

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary