HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← bellen — definición

Conjugation of bellen

Regular CEFR A1
/ˈbɛlə(n)/

de deurbel over laten gaan, schellen, aanbellen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik bel
jij / je belt
hij / zij / het belt
wij / we bellen
jullie bellen
zij / ze bellen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik belde
jij / je belde
hij / zij / het belde
wij / we belden
jullie belden
zij / ze belden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik belle
jij / je belle
hij / zij / het belle
wij / we bellen
jullie bellen
zij / ze bellen
Aanvoegende wijs — verleden
ik belde
jij / je belde
hij / zij / het belde
wij / we belden
jullie belden
zij / ze belden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij bel
jullie (archaïsch) belt

Onbepaalde vormen

Infinitief
bellen
Tegenwoordig deelwoord
bellend
Voltooid deelwoord
gebeld

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary