Betekenis van kruis | Babel Free
/krœy̯s/Voorbeelden
“Hij droeg een houten kruis om zijn nek.”
He wore a wooden cross around his neck.
“Teken een kruis in het vakje.”
Draw an X in the box.
“Het kruis is een symbool in veel religies.”
The cross is a symbol in many religions.
“Het familiewapen had een gouden kruis op een blauw veld.”
The family crest had a gold cross on a blue field.
“Jezus werd gekruisigd op een kruis.”
Jesus was crucified on a cross.
“Iedereen heeft zijn eigen kruis te dragen.”
Everyone has their own cross to bear.
“De broek scheurde bij zijn kruis.”
The pants tore at his crotch.
“De noot had een kruis, wat betekent dat hij een halve toon hoger moet worden gespeeld.”
The note had a sharp, meaning it should be played a half tone higher.
“Kies je kruis of munt?”
Do you choose heads or tails?