HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← Terug naar zoeken

Betekenis van echtgenoot | Babel Free

Zelfstandig naamwoord vrouwelijk CEFR B1 Frequent
ˈɛ(xt)xəˌnoːt

Definities

  1. een mannelijke huwelijkspartner
  2. een huwelijkspartner

Equivalenten

Afrikaans eggenoot
Български съпру́г
Bosanski muž suprug
Català marit
Dansk ægtemand
Ελληνικά άνδρας σύζυγος
English husband husband spouse spouse
Esperanto edzo geedzo
Suomi aviomies
Français conjoint épouse époux homme mari
Gàidhlig caomhainn
Galego gobernar
Hrvatski muž suprug
Magyar férj férj
Bahasa Indonesia suami
Íslenska eiginmaður
日本語
Latina maritus marītus
Português esposo marido marido
Română soț
Svenska make
Türkçe es herif koca koca koca refik
Tiếng Việt chóng nhà
中文 先生 配偶
ZH-TW 先生 配偶

Voorbeelden

“Mijn echtgenoot en ik vieren binnenkort ons 25-jarig huwelijksjubileum.”

My husband and I will soon celebrate our 25th wedding anniversary.

“Ze is al veertig jaar gelukkig getrouwd met haar echtgenoot.”

She has been happily married to her husband for forty years.

“De rechten en plichten van een echtgenoot zijn wettelijk vastgelegd.”

The rights and duties of a spouse are legally defined.

“De vrouw en haar echtgenoot beleefden een romantische huwelijksreis.”
“Zouden de fysieke verschillen tussen wijlen mijn echtgenoot en mijn nieuwe vriend een logisch gevolg zijn van het verschil in hun levensstijl? Arend zat een groot deel van de dag in zijn werkkamer - met sigaar - waar hij klanten, architecten en onderaannemers ontving, terwijl Giorgos het grootste deel van zijn leven op een steiger stond.”
“En opeens was er ook geen echtgenoot.”

ERK-niveau

B1
Gemiddeld
Dit woord behoort tot de ERK B1-woordenschat — niveau gemiddeld.
See all B1 Nederlands words →

Zie ook

Leer dit woord in context

Bekijk echtgenoot gebruikt in echte gesprekken in onze gratis Spaanse cursus.

Gratis cursus starten

Know this word better than we do? Language is a living thing — help us keep it growing. Collaborate with Babel Free