Betekenis van rekenen | Babel Free
/ˈreːkənə(n)/Voorbeelden
“Na de taalles hebben de kinderen rekenen.”
After the language lesson the children do arithmetic.
“Hij rekende zich al (tot) de groten der aarde.”
He has already counted himself as belonging (to) the greats of the word/one of the greats.
“De ruiters rekenden op bijstand van de koning onder de berg.”
The riders/horsemen counted (on) the king's assistance under the mountain.
“Voor dit buffet rekenen wij twintig euro per persoon.”
For this buffet we determine 20 euros per person.