Conjugation of spelen
/ˈspeːlə(n)/~ met onvoorzichtig/ondoordacht/onbezonnen omgaan met iets kostbaars Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | speel |
| jij / je | speelt |
| hij / zij / het | speelt |
| wij / we | spelen |
| jullie | spelen |
| zij / ze | spelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | speelde |
| jij / je | speelde |
| hij / zij / het | speelde |
| wij / we | speelden |
| jullie | speelden |
| zij / ze | speelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | spele |
| jij / je | spele |
| hij / zij / het | spele |
| wij / we | spelen |
| jullie | spelen |
| zij / ze | spelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | speelde |
| jij / je | speelde |
| hij / zij / het | speelde |
| wij / we | speelden |
| jullie | speelden |
| zij / ze | speelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | speel |
| jullie (archaïsch) | speelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | spelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | spelend |
Voltooid deelwoord
| — | gespeeld |