Betekenis van zondag | Babel Free
ˈzɔndɑxEquivalenten
Afrikaans
Sondag
አማርኛ
እሑድ
Azərbaycanca
bazar
Беларуская
нядзе́ля
Български
неделя
বাংলা
রবিবার
Català
diumenge
Cymraeg
dydd Sul
Dansk
søndag
Esperanto
dimanĉo
Español
domingo
Eesti
pühapäev
Euskara
igande
فارسی
یکشنبه
Suomi
sunnuntai
Gaeilge
Domhnach
Galego
domingo
ગુજરાતી
રવિવાર
ʻŌlelo Hawaiʻi
Lāpule
עברית
יום ראשון
हिन्दी
रविवार
Հայերեն
կիրակի
Íslenska
sunnudagur
日本語
日曜日
ქართული
კვირადღე
ខ្មែរ
ថ្ងៃអាទិត្យ
ಕನ್ನಡ
ಭಾನುವಾರ
한국어
일요일
Kurdî
yekşem
Кыргызча
жекшемби
Lëtzebuergesch
Sonndeg
ລາວ
ວັນອາທິດ
Lietuvių
sekmadienis
Latviešu
svētdiena
Македонски
недела
Монгол
ням
Português
domingo
Русский
Воскресенье
Ikinyarwanda
Kwamungu
Slovenčina
nedeľa
Slovenščina
nedelja
Soomaali
axad
Shqip
e diel
Svenska
söndag
Kiswahili
Jumapili
Тоҷикӣ
якшанбе
Türkmençe
ýekşenbe
Tagalog
Linggo
Türkçe
pazar
اردو
اتوار
Oʻzbekcha
yakshanba
Wolof
dibéer
Yorùbá
ọjọ Aiku
Voorbeelden
“Op zondag gaan we altijd naar de kerk.”
On Sunday we always go to church.
“Zondagen zijn perfect voor familiebijeenkomsten.”
Sundays are perfect for family gatherings.
“We hadden een lui zondagje thuis.”
We had a lazy Sunday at home.
“Zondag is de tweede dag van het weekend.”
“Zondag is de eerste dag van de week.”
“Een doodgewone veertiger met een eigen bedrijf, twintig jaar getrouwd, vader van drie, die elke zondag het gras maait.”
“Het geld dat ze onder het houtsnijwerk heeft gepropt moet zijn weggehaald, want ze had het er ruim vóór de zondag verstopt.”
ERK-niveau
B1
Gemiddeld
Dit woord behoort tot de ERK B1-woordenschat — niveau gemiddeld.
Dit woord behoort tot de ERK B1-woordenschat — niveau gemiddeld.
Know this word better than we do? Language is a living thing — help us keep it growing. Collaborate with Babel Free