Betekenis van trouwen | Babel Free
/ˈtrɑu̯ə(n)/Voorbeelden
“Ze zijn gisteren getrouwd.”
They married yesterday.
“Wil je met me trouwen?”
Will you marry me?
“Ze zijn gisteren getrouwd.”
They married yesterday.
“Wil je met me trouwen?”
Will you marry me?