HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← trouwen — definition

Conjugation of trouwen

Regular CEFR A2
ˈtrɑu̯ə(n)

het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik trouw
jij / je trouwt
hij / zij / het trouwt
wij / we trouwen
jullie trouwen
zij / ze trouwen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik trouwde
jij / je trouwde
hij / zij / het trouwde
wij / we trouwden
jullie trouwden
zij / ze trouwden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik trouwe
jij / je trouwe
hij / zij / het trouwe
wij / we trouwen
jullie trouwen
zij / ze trouwen
Aanvoegende wijs — verleden
ik trouwde
jij / je trouwde
hij / zij / het trouwde
wij / we trouwden
jullie trouwden
zij / ze trouwden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij trouw
jullie (archaïsch) trouwt

Onbepaalde vormen

Infinitief
trouwen
Tegenwoordig deelwoord
trouwend
Voltooid deelwoord
getrouwd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary