Betekenis van voordeur | Babel Free
/ˈvoːr.døːr/Voorbeelden
“Ze liepen naar de voordeur en belden aan.”
They walked up to the front door and rang the bell.
“Ik heb mijn sleutels in huis gelaten; kan je de voordeur voor me openen?”
I left my keys inside; can you open the front door for me?
“De voordeur was versierd met kerstkransen.”
The front door was adorned with Christmas wreaths.