Betekenis van mankeren | Babel Free
/ˌmɑŋˈkeː.rə(n)/Voorbeelden
“Iets mankeerde aan de kinderen op de slaapzaal, die allemaal moesten overgeven.”
The children in the dormitory, who all had to vomit, had some illness.
“Wat mankeert er met jou, honneponnetje?”
What′s wrong with you, honeybun?
“Het mankeert hun aan een goed leerboek.”
They lack a good textbook.
“Hij mankeert veel.”
There's a lot wrong with him.
“Deze hond mankeert iets aan zijn staart.”
This dog has a condition in his tail. (not an innuendo)