Betekenis van time | Babel Free
/tɑjm/Definities
-
eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van timen form-of
-
gebiedende wijs van timen form-of
-
tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van timen form-of, inversion
-
aanvoegende wijs van timen form-of
Voorbeelden
“Ik time.”
“Time!”
“Time je?”
“Wie rustig van de tentoonstelling wil genieten, time zijn bezoek zorgvuldig: alleen op werkdagen heel vroeg en rond etenstijd lijkt de bezoekersstroom iets minder groot.”
ERK-niveau
B2
Bovengemiddeld
Dit woord behoort tot de ERK B2-woordenschat — niveau bovengemiddeld.
Dit woord behoort tot de ERK B2-woordenschat — niveau bovengemiddeld.