Conjugation of ontweiden
/ˌɔntˈʋɛi̯.də(n)/meervoud verleden tijd van ontweien Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontweid |
| jij / je | ontweidt |
| hij / zij / het | ontweidt |
| wij / we | ontweiden |
| jullie | ontweiden |
| zij / ze | ontweiden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontweidde |
| jij / je | ontweidde |
| hij / zij / het | ontweidde |
| wij / we | ontweidden |
| jullie | ontweidden |
| zij / ze | ontweidden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontweide |
| jij / je | ontweide |
| hij / zij / het | ontweide |
| wij / we | ontweiden |
| jullie | ontweiden |
| zij / ze | ontweiden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontweidde |
| jij / je | ontweidde |
| hij / zij / het | ontweidde |
| wij / we | ontweidden |
| jullie | ontweidden |
| zij / ze | ontweidden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontweid |
| jullie (archaïsch) | ontweidt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontweiden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontweidend |
Voltooid deelwoord
| — | ontweid |