Conjugation of ontsporen
/ˌɔntˈspoː.rə(n)/mislukken, zich vergalopperen, op het verkeerde pad raken Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontspoor |
| jij / je | ontspoort |
| hij / zij / het | ontspoort |
| wij / we | ontsporen |
| jullie | ontsporen |
| zij / ze | ontsporen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontspoorde |
| jij / je | ontspoorde |
| hij / zij / het | ontspoorde |
| wij / we | ontspoorden |
| jullie | ontspoorden |
| zij / ze | ontspoorden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontspore |
| jij / je | ontspore |
| hij / zij / het | ontspore |
| wij / we | ontsporen |
| jullie | ontsporen |
| zij / ze | ontsporen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontspoorde |
| jij / je | ontspoorde |
| hij / zij / het | ontspoorde |
| wij / we | ontspoorden |
| jullie | ontspoorden |
| zij / ze | ontspoorden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontspoor |
| jullie (archaïsch) | ontspoort |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontsporen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontsporend |
Voltooid deelwoord
| — | ontspoord |