Conjugation of ontbranden
/ˌɔntˈbrɑn.də(n)/een proces ondergaan waarbij vuurverschijnselen ontstaan, in de brand vliegen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | ontbrand |
| jij / je | ontbrandt |
| hij / zij / het | ontbrandt |
| wij / we | ontbranden |
| jullie | ontbranden |
| zij / ze | ontbranden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | ontbrandde |
| jij / je | ontbrandde |
| hij / zij / het | ontbrandde |
| wij / we | ontbrandden |
| jullie | ontbrandden |
| zij / ze | ontbrandden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | ontbrande |
| jij / je | ontbrande |
| hij / zij / het | ontbrande |
| wij / we | ontbranden |
| jullie | ontbranden |
| zij / ze | ontbranden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | ontbrandde |
| jij / je | ontbrandde |
| hij / zij / het | ontbrandde |
| wij / we | ontbrandden |
| jullie | ontbrandden |
| zij / ze | ontbrandden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | ontbrand |
| jullie (archaïsch) | ontbrandt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | ontbranden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | ontbrandend |
Voltooid deelwoord
| — | ontbrand |