HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← zieden — definition

Conjugation of zieden

Regular CEFR B1
ˈzidə(n)

droogkoken, [grondstoffen] zuiveren of raffineren door ze aan de kook te brengen; met name van pekel of suiker of zeep Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik zied
jij / je ziedt
hij / zij / het ziedt
wij / we zieden
jullie zieden
zij / ze zieden
Verleden tijd (o.v.t.)
ik zood
jij / je zood
hij / zij / het zood
wij / we zoden
jullie zoden
zij / ze zoden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik ziede
jij / je ziede
hij / zij / het ziede
wij / we zieden
jullie zieden
zij / ze zieden
Aanvoegende wijs — verleden
ik zode
jij / je zode
hij / zij / het zode
wij / we zoden
jullie zoden
zij / ze zoden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij zied
jullie (archaïsch) ziedt

Onbepaalde vormen

Infinitief
zieden
Tegenwoordig deelwoord
ziedend
Voltooid deelwoord
gezoden

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary