Conjugation of zeggen
/ˈzɛɣə(n)/met woorden informeren dire ja zeggen dire oui Hij heeft gezegd dat hij morgen zal terugbellen. Il a dit qu'il rappellera demain. in het Burgerlijk Wetboek staat hierover ... Dans le Code civil on peu Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | zeg |
| jij / je | zegt |
| hij / zij / het | zegt |
| wij / we | zeggen |
| jullie | zeggen |
| zij / ze | zeggen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | zei |
| jij / je | zei |
| hij / zij / het | zei |
| wij / we | zeiden |
| jullie | zeiden |
| zij / ze | zeiden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | zegge |
| jij / je | zegge |
| hij / zij / het | zegge |
| wij / we | zeggen |
| jullie | zeggen |
| zij / ze | zeggen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | zeide |
| jij / je | zeide |
| hij / zij / het | zeide |
| wij / we | zeiden |
| jullie | zeiden |
| zij / ze | zeiden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | zeg |
| jullie (archaïsch) | zegt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | zeggen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | zeggend |
Voltooid deelwoord
| — | gezegd |