HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← zeggen — definición

Conjugation of zeggen

Regular CEFR A1
/ˈzɛɣə(n)/

met woorden informeren dire ja zeggen dire oui Hij heeft gezegd dat hij morgen zal terugbellen. Il a dit qu'il rappellera demain. in het Burgerlijk Wetboek staat hierover ... Dans le Code civil on peu Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik zeg
jij / je zegt
hij / zij / het zegt
wij / we zeggen
jullie zeggen
zij / ze zeggen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik zei
jij / je zei
hij / zij / het zei
wij / we zeiden
jullie zeiden
zij / ze zeiden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik zegge
jij / je zegge
hij / zij / het zegge
wij / we zeggen
jullie zeggen
zij / ze zeggen
Aanvoegende wijs — verleden
ik zeide
jij / je zeide
hij / zij / het zeide
wij / we zeiden
jullie zeiden
zij / ze zeiden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij zeg
jullie (archaïsch) zegt

Onbepaalde vormen

Infinitief
zeggen
Tegenwoordig deelwoord
zeggend
Voltooid deelwoord
gezegd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary