HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← werken — definition

Conjugation of werken

Regular CEFR A1
ˈʋɛrkə(n)

arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee een resultaat proberen te bewerkstelligen en geld verdienen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik werk
jij / je werkt
hij / zij / het werkt
wij / we werken
jullie werken
zij / ze werken
Verleden tijd (o.v.t.)
ik werkte
jij / je werkte
hij / zij / het werkte
wij / we werkten
jullie werkten
zij / ze werkten

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik werke
jij / je werke
hij / zij / het werke
wij / we werken
jullie werken
zij / ze werken
Aanvoegende wijs — verleden
ik werkte
jij / je werkte
hij / zij / het werkte
wij / we werkten
jullie werkten
zij / ze werkten

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij werk
jullie (archaïsch) werkt

Onbepaalde vormen

Infinitief
werken
Tegenwoordig deelwoord
werkend
Voltooid deelwoord
gewerkt

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary