Conjugation of verzekeren
/vərˈzeː.kə.rə(n)/tegen betaling van een (meestal vaste) premie een contract afsluiten bij een verzekeringsmaatschappij, waarbij bepaald wordt dat bij eventuele schade gedekt zal worden Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | verzeker |
| jij / je | verzekert |
| hij / zij / het | verzekert |
| wij / we | verzekeren |
| jullie | verzekeren |
| zij / ze | verzekeren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | verzekerde |
| jij / je | verzekerde |
| hij / zij / het | verzekerde |
| wij / we | verzekerden |
| jullie | verzekerden |
| zij / ze | verzekerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | verzekere |
| jij / je | verzekere |
| hij / zij / het | verzekere |
| wij / we | verzekeren |
| jullie | verzekeren |
| zij / ze | verzekeren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | verzekerde |
| jij / je | verzekerde |
| hij / zij / het | verzekerde |
| wij / we | verzekerden |
| jullie | verzekerden |
| zij / ze | verzekerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | verzeker |
| jullie (archaïsch) | verzekert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | verzekeren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | verzekerend |
Voltooid deelwoord
| — | verzekerd |