Conjugation of verjaren
/vərˈjarə(n)/het tijdstip van een bepaalde geldigheidsduur overschrijden, het tijdstip passeren waarop een vordering niet meer aan de rechter kan worden voorgelegd Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | verjaar |
| jij / je | verjaart |
| hij / zij / het | verjaart |
| wij / we | verjaren |
| jullie | verjaren |
| zij / ze | verjaren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | verjaarde |
| jij / je | verjaarde |
| hij / zij / het | verjaarde |
| wij / we | verjaarden |
| jullie | verjaarden |
| zij / ze | verjaarden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | verjare |
| jij / je | verjare |
| hij / zij / het | verjare |
| wij / we | verjaren |
| jullie | verjaren |
| zij / ze | verjaren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | verjaarde |
| jij / je | verjaarde |
| hij / zij / het | verjaarde |
| wij / we | verjaarden |
| jullie | verjaarden |
| zij / ze | verjaarden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | verjaar |
| jullie (archaïsch) | verjaart |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | verjaren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | verjarend |
Voltooid deelwoord
| — | verjaard |