HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← vaccineren — definition

Conjugation of vaccineren

Regular CEFR C2
ˌvɑk.siˈneː.rə(n)

een injectie met een vaccin geven Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik vaccineer
jij / je vaccineert
hij / zij / het vaccineert
wij / we vaccineren
jullie vaccineren
zij / ze vaccineren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik vaccineerde
jij / je vaccineerde
hij / zij / het vaccineerde
wij / we vaccineerden
jullie vaccineerden
zij / ze vaccineerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik vaccinere
jij / je vaccinere
hij / zij / het vaccinere
wij / we vaccineren
jullie vaccineren
zij / ze vaccineren
Aanvoegende wijs — verleden
ik vaccineerde
jij / je vaccineerde
hij / zij / het vaccineerde
wij / we vaccineerden
jullie vaccineerden
zij / ze vaccineerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij vaccineer
jullie (archaïsch) vaccineert

Onbepaalde vormen

Infinitief
vaccineren
Tegenwoordig deelwoord
vaccinerend
Voltooid deelwoord
gevaccineerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary