HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← vaceren — definition

Conjugation of vaceren

Regular CEFR B1
ˌvaːˈseː.rə(n)

werkeloos, ambteloos zijn; onbezet zijn Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik vaceer
jij / je vaceert
hij / zij / het vaceert
wij / we vaceren
jullie vaceren
zij / ze vaceren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik vaceerde
jij / je vaceerde
hij / zij / het vaceerde
wij / we vaceerden
jullie vaceerden
zij / ze vaceerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik vacere
jij / je vacere
hij / zij / het vacere
wij / we vaceren
jullie vaceren
zij / ze vaceren
Aanvoegende wijs — verleden
ik vaceerde
jij / je vaceerde
hij / zij / het vaceerde
wij / we vaceerden
jullie vaceerden
zij / ze vaceerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij vaceer
jullie (archaïsch) vaceert

Onbepaalde vormen

Infinitief
vaceren
Tegenwoordig deelwoord
vacerend
Voltooid deelwoord
gevaceerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary