HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← stamelen — definition

Conjugation of stamelen

Regular CEFR B2
ˈstaː.mə.lə(n)

onsamenhangend en onzeker spreken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik stamel
jij / je stamelt
hij / zij / het stamelt
wij / we stamelen
jullie stamelen
zij / ze stamelen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik stamelde
jij / je stamelde
hij / zij / het stamelde
wij / we stamelden
jullie stamelden
zij / ze stamelden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik stamele
jij / je stamele
hij / zij / het stamele
wij / we stamelen
jullie stamelen
zij / ze stamelen
Aanvoegende wijs — verleden
ik stamelde
jij / je stamelde
hij / zij / het stamelde
wij / we stamelden
jullie stamelden
zij / ze stamelden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij stamel
jullie (archaïsch) stamelt

Onbepaalde vormen

Infinitief
stamelen
Tegenwoordig deelwoord
stamelend
Voltooid deelwoord
gestameld

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary