Conjugation of signaleren
sɪɲaˈlerə(n)het constateren van iets, en er vervolgens op attenderen door het geven van een signaal meestal ter waarschuwing over gevaar, onraad, bijzondere omstandigheden of gebeurtenissen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | signaleer |
| jij / je | signaleert |
| hij / zij / het | signaleert |
| wij / we | signaleren |
| jullie | signaleren |
| zij / ze | signaleren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | signaleerde |
| jij / je | signaleerde |
| hij / zij / het | signaleerde |
| wij / we | signaleerden |
| jullie | signaleerden |
| zij / ze | signaleerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | signalere |
| jij / je | signalere |
| hij / zij / het | signalere |
| wij / we | signaleren |
| jullie | signaleren |
| zij / ze | signaleren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | signaleerde |
| jij / je | signaleerde |
| hij / zij / het | signaleerde |
| wij / we | signaleerden |
| jullie | signaleerden |
| zij / ze | signaleerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | signaleer |
| jullie (archaïsch) | signaleert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | signaleren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | signalerend |
Voltooid deelwoord
| — | gesignaleerd |
Practice in context
Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.