Conjugation of schaken
/ˈsxaː.kə(n)/ontvoeren (vooral m.b.t. vrouwen, in afgezwakte zin ook: een meisje inpalmen) Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | schaak |
| jij / je | schaakt |
| hij / zij / het | schaakt |
| wij / we | schaken |
| jullie | schaken |
| zij / ze | schaken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | schaakte |
| jij / je | schaakte |
| hij / zij / het | schaakte |
| wij / we | schaakten |
| jullie | schaakten |
| zij / ze | schaakten |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | schake |
| jij / je | schake |
| hij / zij / het | schake |
| wij / we | schaken |
| jullie | schaken |
| zij / ze | schaken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | schaakte |
| jij / je | schaakte |
| hij / zij / het | schaakte |
| wij / we | schaakten |
| jullie | schaakten |
| zij / ze | schaakten |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | schaak |
| jullie (archaïsch) | schaakt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | schaken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | schakend |
Voltooid deelwoord
| — | geschaakt |