Conjugation of schakeren
/ˌsxaːˈkeː.rə(n)/met afwisseling (van kleur) schikken Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | schakeer |
| jij / je | schakeert |
| hij / zij / het | schakeert |
| wij / we | schakeren |
| jullie | schakeren |
| zij / ze | schakeren |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | schakeerde |
| jij / je | schakeerde |
| hij / zij / het | schakeerde |
| wij / we | schakeerden |
| jullie | schakeerden |
| zij / ze | schakeerden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | schakere |
| jij / je | schakere |
| hij / zij / het | schakere |
| wij / we | schakeren |
| jullie | schakeren |
| zij / ze | schakeren |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | schakeerde |
| jij / je | schakeerde |
| hij / zij / het | schakeerde |
| wij / we | schakeerden |
| jullie | schakeerden |
| zij / ze | schakeerden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | schakeer |
| jullie (archaïsch) | schakeert |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | schakeren |
Tegenwoordig deelwoord
| — | schakerend |
Voltooid deelwoord
| — | geschakeerd |