HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← rokeren — definition

Conjugation of rokeren

Regular CEFR B1
roːˈkeːrə(n)

het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik rokeer
jij / je rokeert
hij / zij / het rokeert
wij / we rokeren
jullie rokeren
zij / ze rokeren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik rokeerde
jij / je rokeerde
hij / zij / het rokeerde
wij / we rokeerden
jullie rokeerden
zij / ze rokeerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik rokere
jij / je rokere
hij / zij / het rokere
wij / we rokeren
jullie rokeren
zij / ze rokeren
Aanvoegende wijs — verleden
ik rokeerde
jij / je rokeerde
hij / zij / het rokeerde
wij / we rokeerden
jullie rokeerden
zij / ze rokeerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij rokeer
jullie (archaïsch) rokeert

Onbepaalde vormen

Infinitief
rokeren
Tegenwoordig deelwoord
rokerend
Voltooid deelwoord
gerokeerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary