HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← reizen — definición

Conjugation of reizen

Regular CEFR B1
/ˈrɛi̯.zə(n)/

gericht onderweg zijn naar een bepaalde bestemming Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik reis
jij / je reist
hij / zij / het reist
wij / we reizen
jullie reizen
zij / ze reizen
Verleden tijd (o.v.t.)
ik reisde
jij / je reisde
hij / zij / het reisde
wij / we reisden
jullie reisden
zij / ze reisden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik reize
jij / je reize
hij / zij / het reize
wij / we reizen
jullie reizen
zij / ze reizen
Aanvoegende wijs — verleden
ik reisde
jij / je reisde
hij / zij / het reisde
wij / we reisden
jullie reisden
zij / ze reisden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij reis
jullie (archaïsch) reist

Onbepaalde vormen

Infinitief
reizen
Tegenwoordig deelwoord
reizend
Voltooid deelwoord
gereisd

Más conjugaciones

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary