HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← passeeren — definition

Conjugation of passeeren

Regular CEFR B2

obsolete spelling of passeren Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik passeer
jij / je passeert
hij / zij / het passeert
wij / we passeeren
jullie passeeren
zij / ze passeeren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik passeerde
jij / je passeerde
hij / zij / het passeerde
wij / we passeerden
jullie passeerden
zij / ze passeerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik passeere
jij / je passeere
hij / zij / het passeere
wij / we passeeren
jullie passeeren
zij / ze passeeren
Aanvoegende wijs — verleden
ik passeerde
jij / je passeerde
hij / zij / het passeerde
wij / we passeerden
jullie passeerden
zij / ze passeerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij passeer
jullie (archaïsch) passeert

Onbepaalde vormen

Infinitief
passeeren
Tegenwoordig deelwoord
passeerend
Voltooid deelwoord
gepasseerd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary