HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← paren — definition

Conjugation of paren

Regular CEFR C1
ˈpaː.rə(n)

samen met iets of iemand anders een paar/koppel vormen Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik paar
jij / je paart
hij / zij / het paart
wij / we paren
jullie paren
zij / ze paren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik paarde
jij / je paarde
hij / zij / het paarde
wij / we paarden
jullie paarden
zij / ze paarden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik pare
jij / je pare
hij / zij / het pare
wij / we paren
jullie paren
zij / ze paren
Aanvoegende wijs — verleden
ik paarde
jij / je paarde
hij / zij / het paarde
wij / we paarden
jullie paarden
zij / ze paarden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij paar
jullie (archaïsch) paart

Onbepaalde vormen

Infinitief
paren
Tegenwoordig deelwoord
parend
Voltooid deelwoord
gepaard

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary