HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← panikeren — definition

Conjugation of panikeren

Regular CEFR C2
ˌpaː.niˈkeː.rə(n)

erg angstig zijn, in paniek raken Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik panikeer
jij / je panikeert
hij / zij / het panikeert
wij / we panikeren
jullie panikeren
zij / ze panikeren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik panikeerde
jij / je panikeerde
hij / zij / het panikeerde
wij / we panikeerden
jullie panikeerden
zij / ze panikeerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik panikere
jij / je panikere
hij / zij / het panikere
wij / we panikeren
jullie panikeren
zij / ze panikeren
Aanvoegende wijs — verleden
ik panikeerde
jij / je panikeerde
hij / zij / het panikeerde
wij / we panikeerden
jullie panikeerden
zij / ze panikeerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij panikeer
jullie (archaïsch) panikeert

Onbepaalde vormen

Infinitief
panikeren
Tegenwoordig deelwoord
panikerend
Voltooid deelwoord
gepanikeerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary