HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← pantseren — definition

Conjugation of pantseren

Regular CEFR B2

met een pantser bekleden Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik pantser
jij / je pantsert
hij / zij / het pantsert
wij / we pantseren
jullie pantseren
zij / ze pantseren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik pantserde
jij / je pantserde
hij / zij / het pantserde
wij / we pantserden
jullie pantserden
zij / ze pantserden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik pantsere
jij / je pantsere
hij / zij / het pantsere
wij / we pantseren
jullie pantseren
zij / ze pantseren
Aanvoegende wijs — verleden
ik pantserde
jij / je pantserde
hij / zij / het pantserde
wij / we pantserden
jullie pantserden
zij / ze pantserden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij pantser
jullie (archaïsch) pantsert

Onbepaalde vormen

Infinitief
pantseren
Tegenwoordig deelwoord
pantserend
Voltooid deelwoord
gepantserd

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary