HomeServicesBlogDictionariesContactSpanish Course
← paneren — definition

Conjugation of paneren

Regular CEFR B1
paː.ˈneːrə(n)

met geklopt ei bestrijken en daarna bestrooien met paneermeel Ver definición completa →

Aantonende wijs

Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
ik paneer
jij / je paneert
hij / zij / het paneert
wij / we paneren
jullie paneren
zij / ze paneren
Verleden tijd (o.v.t.)
ik paneerde
jij / je paneerde
hij / zij / het paneerde
wij / we paneerden
jullie paneerden
zij / ze paneerden

Aanvoegende wijs (archaïsch)

Aanvoegende wijs — tegenwoordig
ik panere
jij / je panere
hij / zij / het panere
wij / we paneren
jullie paneren
zij / ze paneren
Aanvoegende wijs — verleden
ik paneerde
jij / je paneerde
hij / zij / het paneerde
wij / we paneerden
jullie paneerden
zij / ze paneerden

Gebiedende wijs

Gebiedende wijs
jij paneer
jullie (archaïsch) paneert

Onbepaalde vormen

Infinitief
paneren
Tegenwoordig deelwoord
panerend
Voltooid deelwoord
gepaneerd

Practice in context

Fill in the verb in real sentences — correct answers count toward the table above.

Practice this verb →

More conjugations

Explore the Nederlands dictionary

Look up any Dutch word for definitions, equivalents in 94 languages, and more.

Open Dictionary