Conjugation of overtreffen
/ˌoː.vərˈtrɛ.fə(n)/een voorheen behaald niveau te boven gaan Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overtref |
| jij / je | overtreft |
| hij / zij / het | overtreft |
| wij / we | overtreffen |
| jullie | overtreffen |
| zij / ze | overtreffen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overtrof |
| jij / je | overtrof |
| hij / zij / het | overtrof |
| wij / we | overtroffen |
| jullie | overtroffen |
| zij / ze | overtroffen |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overtreffe |
| jij / je | overtreffe |
| hij / zij / het | overtreffe |
| wij / we | overtreffen |
| jullie | overtreffen |
| zij / ze | overtreffen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overtroffe |
| jij / je | overtroffe |
| hij / zij / het | overtroffe |
| wij / we | overtroffen |
| jullie | overtroffen |
| zij / ze | overtroffen |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overtref |
| jullie (archaïsch) | overtreft |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overtreffen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overtreffend |
Voltooid deelwoord
| — | overtroffen |