Conjugation of overtrekken
/ˈoːvərˌtrɛ.kə(n)/in een positie brengen waarin vleugels opeens hun draagvermogen verliezen doordat de lucht er niet meer snel vlak overheen stroomt Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overtrek |
| jij / je | overtrekt |
| hij / zij / het | overtrekt |
| wij / we | overtrekken |
| jullie | overtrekken |
| zij / ze | overtrekken |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overtrok |
| jij / je | overtrok |
| hij / zij / het | overtrok |
| wij / we | overtrokken |
| jullie | overtrokken |
| zij / ze | overtrokken |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overtrekke |
| jij / je | overtrekke |
| hij / zij / het | overtrekke |
| wij / we | overtrekken |
| jullie | overtrekken |
| zij / ze | overtrekken |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overtrokke |
| jij / je | overtrokke |
| hij / zij / het | overtrokke |
| wij / we | overtrokken |
| jullie | overtrokken |
| zij / ze | overtrokken |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overtrek |
| jullie (archaïsch) | overtrekt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overtrekken |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overtrekkend |
Voltooid deelwoord
| — | overtrokken |