Conjugation of overspelen
/ˈoːvərˌspeːlə(n)/een tactiek kiezen die berust op overschatting van de kaarten die men heeft Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overspeel |
| jij / je | overspeelt |
| hij / zij / het | overspeelt |
| wij / we | overspelen |
| jullie | overspelen |
| zij / ze | overspelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overspeelde |
| jij / je | overspeelde |
| hij / zij / het | overspeelde |
| wij / we | overspeelden |
| jullie | overspeelden |
| zij / ze | overspeelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overspele |
| jij / je | overspele |
| hij / zij / het | overspele |
| wij / we | overspelen |
| jullie | overspelen |
| zij / ze | overspelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overspeelde |
| jij / je | overspeelde |
| hij / zij / het | overspeelde |
| wij / we | overspeelden |
| jullie | overspeelden |
| zij / ze | overspeelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overspeel |
| jullie (archaïsch) | overspeelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overspelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overspelend |
Voltooid deelwoord
| — | overspeeld |