Conjugation of overspoelen
/ˌoː.vərˈspu.lə(n)/een band of draad van de ene naar de andere haspel brengen Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overspoel |
| jij / je | overspoelt |
| hij / zij / het | overspoelt |
| wij / we | overspoelen |
| jullie | overspoelen |
| zij / ze | overspoelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overspoelde |
| jij / je | overspoelde |
| hij / zij / het | overspoelde |
| wij / we | overspoelden |
| jullie | overspoelden |
| zij / ze | overspoelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overspoele |
| jij / je | overspoele |
| hij / zij / het | overspoele |
| wij / we | overspoelen |
| jullie | overspoelen |
| zij / ze | overspoelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overspoelde |
| jij / je | overspoelde |
| hij / zij / het | overspoelde |
| wij / we | overspoelden |
| jullie | overspoelden |
| zij / ze | overspoelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overspoel |
| jullie (archaïsch) | overspoelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overspoelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overspoelend |
Voltooid deelwoord
| — | overspoeld |