Conjugation of overrompelen
/ˌoː.vəˈrɔm.pə.lə(n)/plotseling en onverwachts iemand ergens mee verrassen (kan zijn met iets vervelends maar ook met iets fijns) Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overrompel |
| jij / je | overrompelt |
| hij / zij / het | overrompelt |
| wij / we | overrompelen |
| jullie | overrompelen |
| zij / ze | overrompelen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overrompelde |
| jij / je | overrompelde |
| hij / zij / het | overrompelde |
| wij / we | overrompelden |
| jullie | overrompelden |
| zij / ze | overrompelden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overrompele |
| jij / je | overrompele |
| hij / zij / het | overrompele |
| wij / we | overrompelen |
| jullie | overrompelen |
| zij / ze | overrompelen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overrompelde |
| jij / je | overrompelde |
| hij / zij / het | overrompelde |
| wij / we | overrompelden |
| jullie | overrompelden |
| zij / ze | overrompelden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overrompel |
| jullie (archaïsch) | overrompelt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overrompelen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overrompelend |
Voltooid deelwoord
| — | overrompeld |