Conjugation of overrulen
naast zich neer leggen of tenietdoen van een eerdere uitspraak of beslissing die gedaan was door een lagere macht Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overrule |
| jij / je | overrulet |
| hij / zij / het | overrulet |
| wij / we | overrulen |
| jullie | overrulen |
| zij / ze | overrulen |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overrulede |
| jij / je | overrulede |
| hij / zij / het | overrulede |
| wij / we | overruleden |
| jullie | overruleden |
| zij / ze | overruleden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overrule |
| jij / je | overrule |
| hij / zij / het | overrule |
| wij / we | overrulen |
| jullie | overrulen |
| zij / ze | overrulen |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overrulede |
| jij / je | overrulede |
| hij / zij / het | overrulede |
| wij / we | overruleden |
| jullie | overruleden |
| zij / ze | overruleden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overrule |
| jullie (archaïsch) | overrulet |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overrulen |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overrulend |
Voltooid deelwoord
| — | overruled |