Conjugation of overrijden
/ˌoː.vəˈrɛi̯.də(n)/met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden. Ver definición completa →
Aantonende wijs
Tegenwoordige tijd (o.t.t.)
| ik | overrij |
| jij / je | overrijdt |
| hij / zij / het | overrijdt |
| wij / we | overrijden |
| jullie | overrijden |
| zij / ze | overrijden |
Verleden tijd (o.v.t.)
| ik | overreed |
| jij / je | overreed |
| hij / zij / het | overreed |
| wij / we | overreden |
| jullie | overreden |
| zij / ze | overreden |
Aanvoegende wijs (archaïsch)
Aanvoegende wijs — tegenwoordig
| ik | overrijde |
| jij / je | overrijde |
| hij / zij / het | overrijde |
| wij / we | overrijden |
| jullie | overrijden |
| zij / ze | overrijden |
Aanvoegende wijs — verleden
| ik | overrede |
| jij / je | overrede |
| hij / zij / het | overrede |
| wij / we | overreden |
| jullie | overreden |
| zij / ze | overreden |
Gebiedende wijs
Gebiedende wijs
| jij | overrij |
| jullie (archaïsch) | overrijdt |
Onbepaalde vormen
Infinitief
| — | overrijden |
Tegenwoordig deelwoord
| — | overrijdend |
Voltooid deelwoord
| — | overreden |